Auteursarchief: rudy

Energienota-nul woningen: hot topic

In het nieuws

Wat is er aan de hand? Gisteren (21-1-2014) in het NOS-journaal en hier op de site ‘ons huis verdient het’ uitgebreid in een ander jasje onder de aandacht. Het gaat om de zogenaamde ‘energienota-nul’ woning. Dus niet een woning die zuinig met energie omspringt, maar in die mate dat er per saldo geen maandelijkse factuur meer hoeft te worden betaald. De woning als kleine energie-centrale voor eigen gebruik.

Via projecten van ongeveer 5 jaar geleden kwamen wij al in contact met dit soort woningen. Met veel techniek (met name zonnecollectoren en warmte-koude opslag) en goede isolatie was men toen al in staat een energieneutrale woning te bouwen. Hoewel … Het woord ‘energieneutraal’ is onderhevig aan discussie omdat je formeel ook de energiecomponent van de hardware (huis, materialen etc) moet meenemen, maar daar hebben we het dus niet over. Energienota-nul is een beter woord in deze context.

Echte bewijzen kregen we destijds niet. Ik heb toen bij bewoners (de huizen stonden er dus al wel!) gevraagd naar het fysieke afschrift van de energie-factuur omdat ik die 0 euro wel eens geprint wilde zien. Ik kreeg toen reacties als ‘we zitten nog in de fine-tune periode’, ‘de eerste maanden zijn nog niet optimaal’ etc. Maar los van deze details: het is niet deze maand dat het voor het eerst mogelijk is. Blijkbaar zitten we nu in een soort tipping-point fase.

Constructie

Misschien iets met de crisis te maken? Het idee van ‘ons huis verdient het’ is sympathiek en een fraai voorbeeld van slimme financiering. De site roept bewoners op hun woning aan te melden voor een aanpak die zorgt dat de woning factuurloos wordt. In totaal gaat het om een ‘swop’ van de jaarlijkse € 13 mrd aan woningenergie-uitgaven die nu gebruikt kunnen worden als investering voor de renovatie of aanpassing van de huizen. Dit geld kan dan worden geleend en wel zodanig dat de maandelijkse rente + aflossing precies het bedrag is dat je nu kwijt bent aan de energie-nota.

Het idee heeft zo geen verliezers. Het is goed voor het milieu, goed voor de economie, goed voor de bouwbedrijven, goed voor de banken en goed voor de bewoner.

Geen verliezers dus? Nou ja, misschien de energiebedrijven, die zullen in het ideale geval nauwelijks nog omzet hebben. Welk effect zal dat hebben op de energieprijs? Die moet gaan dalen bij een nagenoeg-nul vraag. Maar dan kloppen de sommen niet meer … Dat wordt te ingewikkeld, vergeet het. En wat te denken van de eigenaren van huizen die niet gerenoveerd worden? Wie wil die nog kopen? Krijg je een prijsstijging voor de energie-nul woningen of een daling voor de andere woningen? We weten het niet.

Mindmap

ScreenShot031Hierboven de belangrijkste elementen van het voorstel in een mindmap gezet. Ik denk dat de diverse termen voor zichzelf spreken. Ik heb nog niet de moeite genomen om alle initiatiefnemers uit te pluizen, wie zijn ze, waarom doen ze dit, wat zit er mogelijk achter. Het heeft alles in zich van een prima idee dat concrete uitwerking verdient.

Tegendenken

Toch een beetje tegendenken. Een lening om minder geld kwijt te zijn aan je energie? Waren de hoge schulden niet de basis van de huidige economische crisis? Voor een maandelijkse energielast van € 300 in de huidige situatie, kun je ongeveer € 44.000 lenen voor je renovatie (zie de rekentool). Voor deze consument gaat het dan om een ‘neutrale’ operatie, de ene factuur wordt verruild voor de ander. Dat doet niets af aan het maatschappelijke rendement van minder uitstoot, maar toch: de consument is hier wel de spil waar het om draait, hij moet de moeite doen, het risico nemen …

(Nog over de rekentool/sommetjes: het spreekt voor zichzelf dat de uitkomsten worden bepaald door de aannames. Met name de rekenrente en de planningshorizon zijn belangrijk, en er is geen rekening gehouden met mogelijk dalende energieprijzen en allerlei transactiekosten zoals de afsluitprovisie).

Het risico, hoe ziet het daar trouwens mee? Is er echt een garantie dat je geen euro meer uit hoeft te geven? Wat als je werkloos wordt? Hoe gaat het als je je huis tussentijds wilt verkopen? Hoe zit het met de restschuld? En wat te denken van het alternatief van gewoon wat zuiniger leven en van de besparingen je huis renoveren in stapjes? En wat als je wel het geld zelf tot je beschikking hebt, op de bank hebt staan? Twaalf maanden x € 300 per maand op een inleg/uitgaaf van € 44.000, dat is toch mooi een rendement van 8%. Dat kun je nergens krijgen met dit lage risico. Waarom rent dan niet iedereen met wat geld op de bank én een ouder huis naar de renovatie-winkel?

Prof Primus deed gisteren op tv ook nog een duit in het ’tegendenken’-zakje. ‘Je hebt geen enkele garantie op een nul-nota’. ‘Sterker nog: het is te vergelijken met een auto met gordel, de verhoogde veiligheid leidt tot gevaarlijker rijgedrag en hier zul je merken dat mensen dus met een shirtje in hun te warme huis gaan rondlopen en het raam gaan openzetten als het te warm wordt’.

Misschien is dit wel de beste optie: een huis energienul maken kost ongeveer 20% extra bovenop de normale bouwsom, je kunt dat bedrag terug verdienen door slim te ontwerpen, iets kleiner te bouwen, beter in te kopen, andere materialen te kiezen en vooral door bij te dragen aan een lagere grondprijs door daar minder kosten te maken in grondverzet (zie de reeks verdienmodellen, maar veel is ook uit eigen ervaringen en berekeningen in diverse projecten). Je bouwt dan voor hetzelfde geld als ‘normaal’ een energienul huis. En last but not least: vergeet het doel niet uit het oog! Het gaat er niet om geen geld aan energie uit te geven, het gaat om een optimale woonbeleving. Het gaat naast energie, ook om licht, lucht, groen, comfort, onderhoud(-skosten).

Maar zoals beweerd in de reeks tegendenken: dit is niet bedoeld om het plan af te kraken, alleen maar om een goed plan nog beter te maken.

Rudy van Stratum

Met dank aan Gerben van Dijk die ons wees op het initiatief ‘Ons huis verdient het’ en ook diverse tekstuele suggesties gaf op een eerdere versie van deze blog.

POST SCRIPTUM: er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar energiezuinige woningen:

CITAAT: Het onderzoek vond plaats in de eerste helft van 2013. Agentschap NL nam een selectie van zeer energiezuinige woningbouwprojecten onder de loep. “We controleerden daarbij of de maatregelen uit het ontwerp ook werkelijk zijn – of worden – uitgevoerd, en werken in de praktijk”.

De ‘Brabant woning’ kwam daarbij als zuinigste woning uit de bus (gebaseerd op de zogenaamde EPC-score, technisch verhaal, komen we later wellicht nog uitgebreider op terug, voor nu heb ik de vraag uitstaan bij architect Renz Pijnenborgh op wat voor energienota deze Brabantwoning kan rekenen).

 

Tegendenken (4): verkennen van het wereldmodel

In de vorige blog gaf Stijn aan dat er te vaak en te snel naar de oplossing wordt gesprongen. Zonder dat duidelijk is wat nu het échte probleem is en voor wie dat dan (wanneer? hoe?) een probleem is. Om een betere en robuustere oplossing te krijgen is het daarom efficiënt wat langer bij het probleem stil te staan.

Wereldmodel

Stijn heeft daarom een aantal vragen op een rijtje gezet die je kunt gebruiken om het probleem verder af te pellen. Je zou ook kunnen zeggen: tegendenken, dat is de kunst van het vragen stellen en afpellen. En als dat zo is: wat maakt een vraag dan tot een goede vraag?

tegendenken 5-01Daar is een klein stukje theorie voor nodig. Misschien denken sommigen nog dat de feiten gewoon de feiten zijn. Dat zal ook wel, alleen die feiten die zich voordoen komen alleen maar tot ons via onze zintuigen (ogen, oren, neus etc). Deze instrumenten hebben van zichzelf al technische beperkingen maar ons brein (de verwerkingsmachine) laat lang niet alle signalen die binnen komen door. We zouden dan volledig gestoord worden en niet meer normaal kunnen functioneren. Ons brein filtert dus de signalen en haalt er uit wat voor ons van belang is. Op basis van de feiten en de criteria trekken we dan conclusies en geven we betekenis. De hele soep van criteria en betekenissen die we zelf brouwen van de feiten wordt ook wel ons ‘wereldmodel’ genoemd.

Kunst van het vragenstellen

Wat is het doel van vragen stellen bij tegendenken? We worden ons dan bewust van de beperkingen die ons wereldmodel ons oplegt (1) en we kunnen dan onderzoeken hoe we die beperkingen in ons wereldmodel kunnen omzeilen (2). Het doel van vragenstellen is dus om ons wereldmodel te verruimen. Nu kunnen we pas de vraag beantwoorden wat een vraag een goede vraag maakt. Elke vraag is een goede vraag zolang die vraag ons wereldmodel verruimt en ons leidt naar meer keuzevrijheid.

De vragen van Stijn uit de vorige blog zijn dus allemaal bedoeld om meer zicht te krijgen op de wereldmodellen die achter een probleem of vraagstelling steken. Laten we ze nog eens noemen:

Wat wil je bereiken? Vraagt naar hoe het eruit zou moeten zien (en wat er nu nog aan schort).

Voor wie is het belangrijk en waarom? Vraagt naar de criteria, wat belangrijk is voor wie.

Wat gebeurt er als je niets doet? Vraagt naar de urgentie van het probleem.

Waarom deze oplossing? Vraagt naar alternatieven.

Wat is het probleem? Vraagt om te preciseren (wat, waar, wanneer, hoe lang)  en met concrete voorbeelden te komen.

De lijst is niet per se volledig en de volgorde is ook willekeurig. Ik zou bijvoorbeeld nog toe kunnen voegen:

Waar ga je vanuit? Vraagt naar de randvoorwaarden/condities wil deze oplossing bij dit probleem werken (wat zijn je overige aannames, wat moet er waar zijn wil dit werken?).

Een ‘wereldmodel’ klinkt misschien abstract. Ik ben als econoom gewend te werken met (wiskundige) modellen. Wat je hier eigenlijk doet is net zoiets: wat zijn de exogenen (de randvoorwaarden), wat zijn de endogenen (de vergelijkingen die het hart van het model vormen) en wat zijn de uitkomsten die het model genereert?

Zo zien we dat de ‘waarom-vraag’ eigenlijk een verzamelbus is voor een hele trits onderliggende vragen die het wereldmodel rondom de casus in kaart brengt. Later in deze serie gaan we verder in op hoe je het wereldmodel kunt verruimen.

Rudy van Stratum

PS Zijn er ook ‘foute’ vragen? Nou ja, vanuit deze insteek wel. Vragen die NIET leiden tot een verruiming van het wereldmodel zijn contraproductief. Voorbeelden:

– Waarom heb jij niks met duurzaamheid? (dit is een aanval, leidt tot verdediging en dus tot vasthouden aan bestaande wereldmodel).

– Is het niet zo dat alle managers alleen maar in macht zijn geïnteresseerd? (die vraag gaat op zoek naar bevestiging van je eigen wereldmodel en probeert niet dat van de andere ruimer te maken).

Stadslandbouw (correspondent 15-01-2014)

Vandaag stond het volgende artikel in de correspondent, “de boer van de toekomst is een nerd”. Ik raak wat geïrriteerd door het artikel. Het doet de agrarische sector mijns inziens tekort. Twee initiatiefnemers van buiten de sector komen aan het woord om te vertellen hoe de toekomstige voedselvoorziening er uit zou moeten zien. Ik heb niks tegen deze buitenstaanders, het is goed, kan de sector een impuls geven, schudt de boel wellicht wakker (als er tenminste iemand lag te slapen etc.). Mijn irritatie heeft vooral betrekking op het feit dat er in het artikel geen enkele ruimte is voor een tegengeluid. Zonder verder aanvullend onderzoek hieronder daarom maar wat kritische kanttekeningen.

Moderne tuinbouwkas
Zijn jullie wel eens in een moderne tuinbouwkas geweest? Daar groeien de tomaten op steenwol en hangen de aardbeien in een slim systeem op ooghoogte. De moderne tuinder regelt de toevoer van warmte, CO2, meststoffen en licht. Het gaat misschien wat ver om de moderne tuinder een nerd te noemen, maar dat hij / zij mee is gegaan in de technologische ontwikkeling is een feit.

Het is heel knap dat het de genoemde Musad Hussain (biochemicus en zakenman) is gelukt om in een oud kantoorgebouw aardbeien en sla te telen maar ik vermoed dat de gemiddelde tuinder daar zijn hand niet voor omdraait. Ze hebben het nog nooit geprobeerd en dat is eigenlijk niet zo gek, ga maar na. Als eerste is zonlicht natuurlijk een stuk goedkoper en efficiënter dan kunstlicht. Ledverlichting mag dan heel efficiënt zijn maar waar komt die stroom vandaan? Hoe ga je dat duurzaam opwekken (onze landbouwgronden vol met biomassa of zonnepanelen?). De logistiek in een oud kantoor is waardeloos en de inrichting suboptimaal (overal wanden en kolommen), je moet ventilatieproblemen oplossen, watervoorziening en waterafvoer regelen, noem allemaal maar op. Ook de schaal lijkt mij niet optimaal, een beetje tomatenkweker heeft tegenwoordig een kas van 25 ha. Als je dat wilt stapelen heb je een gebouw van 100 x 100 meter nodig van 25 verdiepingen. Kleinschalig zal het best gaan lukken, maar een substantiële bijdrage leveren aan de voedselproductie, ik geloof er niet zo in.

Maar de ideeën van Hussain gaan veel verder dan verticale landbouw, hij ziet een soort koelkast voor zich waar iedereen eigen groente in teelt. Eigenlijk een minikas, maar dan binnenshuis. Is dat nuttig of zinvol, lost dat problemen op? Ik denk van niet. Is het leuk? Ja zeker, dus ik hou me aanbevolen voor deze innovatie. Ik denk niet dat mijn voedsel er goedkoper of lekkerder van wordt, maar leuk is het wel. Een speeltje voor de stadsbewoner, niets mis mee.

Maar waarom?
Belangrijk is ook te kijken naar de achterliggende beweegredenen voor verticale landbouw of stadslandbouw. Waar is dat nou goed voor? Een tweetal citaten

“Voedselproductie moet dicht bij de mensen komen zodat ze leren wat voedsel echt is en waar het vandaan komt.”
Mijn eerste reactie is mee eens! Maar toch, even nadenken? Waarom moeten we leren wat voedsel echt is? Ik weet toch ook niet wat een computer echt is, of een auto? En ik heb ook geen flauw idee waar deze vandaan komen of hoe ze gemaakt worden. Wat maakt voedsel zo anders dan auto’s en computers? Omdat het landbouw is? Dat geldt ook voor katoen, moeten we niet leren wat dat is, waar dat vandaan komt, hoe dat gemaakt wordt?
Volgens mij ontbreken hier de achterliggende argumenten: gesleep met voedsel is niet wenselijk (mee eens), mensen eten ongezond (mee eens) en dat is erg (ben ik het geloof ik ook wel mee eens) en er wordt teveel voedsel weggegooid en dat is zonde (ook mee eens). Voldoende rede om na te denken over voedsel.
De beredenering is dan volgens mij als volgt, we gaan verkeerd met voedsel om, als je weet waar het vandaan komt (hoe het groeit etc.) ga je er anders mee om, stadslandbouw laat je dat zien. Ik vrees dat het voor een groot deel preken voor eigen parochie wordt. Mensen die geïnteresseerd zijn in voedsel vinden stadslandbouw leuk, mensen die dat niet zijn lopen er in een wijde boog omheen op weg naar de supermarkt. Maar eigenlijk doet dat er niet toe, de vraag is vooral, wat is het doel en welke alternatieve manieren zijn er om dat te bereiken?

“Voedsel zo vers mogelijk op het bord .. lokaal geproduceerd eten is veel lekkerder”.
Wij telen elk jaar wat groente in onze tuin, en dat is best lekker, een verse courgette of eigen geteelde boontjes. Maar zijn ze lekkerder dan de boontjes of courgette uit de supermarkt? Misschien doen wij iets verkeerd, maar ze smaken precies hetzelfde. Het is vooral leuk, je loopt de tuin in plukt wat groente en gaat daar een maaltijd van maken. Maar het gaat niet op voor alle groenten. Hussain heeft het ook over supermarkttomaten en ik moet hem gelijk in geven, slechts zelden zie ik echte goeie lekkere rijpe tomaten in de supermarkt.

Biochemicus en financiële dienstverlening
Naast Hussain komt ook Siemen Cox aan het woord. Deze heeft een in mijn ogen wat realitischer kijk op voedselproductie in de stad. Het is iets naast de reguliere voedselproductie die mensen meer bewust maakt. Ik vind het wel opmerkelijk dat een biochemicus en iemand uit de financiële dienstverlening aan het woord worden gelaten. Ik mis de echte experts. Volgens Hussain zou de conventionele landbouwlobby kunnen tegenwerken. Dat ben ik wel met hem eens, de export en import van groente en fruit is een miljarden business, daar is alle belang om het systeem in stand te houden. Maar kijk je naar de individuele tuinder dan zijn de meeste zeer innovatief. Het was een tuinder die als eerste met geothermie begon, een tuinder heeft geëxperimenteerd met vissen in z’n kas, er wordt CO2 uit de Rijnmond gebruikt in tuinbouwkassen etc.. Je zou denken dat als verticale landbouw echt kansrijk is er allang een tuinder op in was gesprongen.

Laat ik positief afsluiten, mijn irritatie is vooral gericht op de correspondent. Voor de beide initiatiefnemers eigenlijk alleen maar lof. Misschien ben ik zelfs wel een beetje jaloers dat zij zoiets leuks doen. Ik geloof er niet in, maar dat kan twee dingen betekenen:

  • Ze hebben gelijk en ik zit er naast. De afgelopen 100 jaar heeft de landbouw een enorme ontwikkeling doorgemaakt en je weet nooit wat er de komende 100 jaar gaat gebeuren. Ik vermoed dat 100 jaar geleden niemand de tuinbouwkassen van nu heeft voorzien. Dus verras mij.
  • Ik heb gelijk en stadslandbouw / verticale landbouw blijft bij een experiment. Niets aan de hand, vooruitgang is het gevolg van allerlei veelal mislukte experimenten. Voor wat betreft het ‘experiment’ stadslandbouw, niemand heeft er last van, ook niet als het mislukt en bijkomend voordeel is dat het een aantal belangrijke issues agendeert, gezond eten, gesleep met voedsel etc.

In de tussentijd doe ik overigens zelf lekker mee aan stadslandbouw, want ook al zie ik het niet als oplossing voor ons voedselprobleem (of voedselgedrag), het is wel heel leuk het brengt mensen bij elkaar en maakt mensen blij.

 

Stijn van Liefland

Ondernemerschap (9): de test in de praktijk

Eerder afleveringen in deze reeks / zoektocht naar ondernemerschap zijn hier te vinden.

Test in de praktijk

Er zijn behoorlijk wat ondernemerstesten op het internet te vinden. De meesten daarvan zijn alleen tegen betaling in te vullen. Veel van de gratis testen zijn slechts opwarmertjes voor grotere (betaalde) testen of hebben een meer speels karakter (in het spraakgebruik wordt dan over ‘Libelle-testen’ gesproken, even snel 5 vragen invullen en dan kijken ‘wat voor type’ je bent).

De testen zijn nagenoeg allemaal gebaseerd op de persoonlijkheid van de invuller (dus vragen niet of nauwelijks naar allerlei feitelijke zaken uit het verleden, wat je doet, naar je achtergrond etc etc). En het zijn natuurlijk zelf-invul testen. Afijn, een hoop mitsen en maren, waar het op neerkomt is dat ik een test ben tegengekomen die ik wél geschikt vond om als voorbeeld voor de soort te laten dienen.

De test is hier te vinden en voor iedereen gratis in te vullen. Het gaat om maar liefst 131 vragen die je in ongeveer 15 minuten kunt invullen. Ik heb hem zelf ook ingevuld en loop de mij toegestuurde uitkomsten door.

Entrepreneur next door

Het 11 pagina’s tellende rapport begint met een uitleg over ondernemerschap en presenteert vervolgens de samenvatting aan de hand van een score met een korte toelichting op die score.

ScreenShot376De test vat de meting op de 15 achterliggende persoonskenmerken samen onder 4 rubrieken: – drive to succeed, social network, outlook on succes en openness to new ideas. Blijkbaar heb ik een hoge prestatiemotivatie en sta ik open voor nieuwe ideeën. Mijn sociale netwerk is ook nog best aardig en hoewel nog geen onvoldoende ligt mijn beperking bij de ‘outlook on succes’. Hier ben ik wat in verwarring omdat dat taalkundig toch wat lijkt op de ‘drive to succeed’.

Dus even gekeken naar de toelichting bij de score:

ScreenShot377De nuancering die ik zelf aanbracht is hier niet te vinden. Ik ben ‘for the most part’ die prima is toegerust voor de moeilijke opgaaf een eigen onderneming te starten. Maar ik wil meer weten. Hoe zit het met de subscores?

Drive to succeed

ScreenShot378Deze categorie kent zelf weer vier sub-kenmerken. Het gaat om onafhankelijkheid, om passie, om doel-gerichtheid en om zorgvuldigheid. Ik wil de dingen graag zelf doen, vind het niet leuk orders te krijgen van een baas. Als iets me interesseert kan ik echt enthousiast worden en er vol, met passie, voor gaan. De ‘goal-orientation’ heeft afgaand op de toelichting te maken met ambitieus zijn, de laat hoog leggen voor jezelf maar ook niet snel tevreden zijn, volhardend zijn, niet snel opgeven. De laatste, conscientiousness, heeft (wederom na lezing van de toelichting) te maken met zorgvuldigheid maar niet alleen in een administratieve betekenis. Het zegt ook dat je zorgvuldig en integer met je klanten omgaat, je afspraken na komt, gaat voor de langere termijn.

Social network

ScreenShot379Deze bestaat uit drie sub-kenmerken. Op sociale vaardigheden en op leiderschap heb ik nog een aardige score, maar ik moet punten laten vallen (de woorden van iemand die wil winnen …) op de mentors en ondersteuners. Even opzoeken hoe ik dat moet lezen.

Social skills gaat over de mate waarin je bereid bent met mensen om te gaan, of je graag netwerkt en of mensen zich op hun gemak voelen bij je. Leadership wordt hier uitgelegd als de mate waarin je het voortouw kunt/wilt nemen, knopen doorhakt en mensen bereid vindt je daarin te volgen. En dan val ik toch door de mand: ondernemen is geen makkie en je gaat door moeilijke periodes en dan heb je iemand nodig ’to lean on’. Ben je bereid hulp te vragen (ken je je eigen grenzen), weet je een ander te vinden als die meer te bieden heeft, heb je een stabiel thuisfront, een goed stel vrienden. De vraag gaat ook over of je rolmodellen hebt, iemand waar je tegenop kijkt en als je voorbeeld ziet. De test meet natuurlijk niet óf je die familie en die vrienden daadwerkelijk wel/niet hebt, maar brengt mijn eigen perceptie daarvan in beeld.

Outlook on succes

ScreenShot380Nu kunnen we kijken of de aanvankelijk verwarring met het eerste blok kan worden weggenomen. De categorie bestaat uit drie sub-kenmerken. Self-efficaciousness is een combinatie van zelfkennis en zelfvertrouwen. Dat je weet waar je sterke en zwakke punten zitten maar dat je ook gelooft in eigen kunnen en in je eigen product. Optimisme spreekt voor zich, dat is om maar een gemeenplaats te gebruiken de mate waarin je het glas halfvol ziet in plaats van halfleeg, denken in kansen en mogelijkheden. De laatste van de drie gaat over status-gevoeligheid. Voor ondernemers is geld en status belangrijk, om het vol te houden, om dat doel te bereiken. Dat kan door pure interesse (zie eerder blok) of door competitie-drang (idem) maar ook door het motief rijk te willen worden en/of een hoge status te kunnen genieten. Hier val ik volledig door de mand. ‘Geld: leuk om te hebben hoor, maar wat moet je er mee, er is meer in het leven?’ is een minder handige overtuiging als het gaat om het maken van winst. Althans, zo lees ik de toelichting.

Openness to new ideas

ScreenShot381Deze set bestaat uit maar liefst vijf kenmerken. Inhoudelijke interesse spreekt voor zich. Nieuwsgierig zijn, willen leren, zelf initiatief nemen iets uit te zoeken, dat soort dingen. Innovatie staat hier voor de bereidheid ‘out of the box’ te denken, om oude denkpatronen te verlaten, de vaardigheid bezitten op een andere manier naar oude problemen te kijken. Aanpassingsvermogen is ook wel helder. Hier gaat het er om of je je snel kunt aanpassen aan nieuwe omstandigheden en je je daar comfortabel bij voelt. Tenslotte volgens twee dimensies die te maken hebben met risico. Interessant want op de ene scoor ik het hoogst van alle dimensies (90 punten) en op de ander bijna het laagst (60 punten). De uitleg bij ‘risk-taking’ heb ik een paar keer moeten lezen. Ik was geneigd hier te lezen: aha, dus ik neem niet genoeg risico’s voor een ondernemer. Maar het is juist andersom: ik ben nogal snel geneigd ergens enthousiast voor te worden en er voor te gaan. Een ondernemer moet weliswaar openstaan voor nieuwe kansen maar wel een goede afweging maken. Wat betekent dan ‘risk-management’? Zoals ik het lees (ook hier weer paar keer lezen) gaat het over hoe je omgaat met risico als de beslissing al is genomen. Als ik de beslissing eenmaal heb genomen, let ik goed op de voortgang, stuur bij en kijk steeds naar het einddoel of strategie. Ook als ik op een nieuw project spring, houd ik oog voor de reeds lopende projecten.

Samenvattend

Ondanks alle plussen en minnen die aan de zoektocht naar de kern van ondernemerschap zijn verbonden, blijkt het mogelijk met een beperkt aantal vragen en in een beperkte hoeveelheid tijd een beeld te genereren over je ‘neiging tot ondernemen’. Of je nu 10 dimensies onderscheidt of 15 lijkt niet zo veel uit te maken. Door de oogharen bezien komt het totale beeld aan kenmerken toch wel terug in de meeste verhalen. Ik herken me zelf in ieder geval in de uitkomsten van de scan.

En dan kom je meteen op de praktische relevantie van dit soort testen. Zolang de testen niet zwaarder zijn gevalideerd én geen rekening wordt gehouden met externe of feitelijke omstandigheden, is de test een mooi hulpmiddel om in kaart te brengen hoe je zelf tegen ondernemerschap aan kijkt. Het wordt op die manier een gestructureerd hulpmiddel om een gesprek (desnoods met jezelf) te voeren. En ik ben ervan overtuigd dat als je deze test door een groep laat uitvoeren, de onderlinge vergelijking van de testen ook weer tot interessante conclusies leidt. Zo krijg je toch nog een zekere mate van transparantie en objectiviteit (iedereen heeft dezelfde test op hetzelfde moment ingevuld) en dat maakt een betere discussie mogelijk.

In de volgende aflevering de conclusies van deze speurtocht naar ondernemerschap. Te beginnen met wat ondernemerschap in ieder geval NIET is: de 10 mythes rondom ondernemerschap.

Rudy van Stratum

 

Tegendenken (3) De waarom vraag

De oplossing centraal

Zelf was ik ooit betrokken bij ontwikkelingen in de glastuinbouw. Eén van de concepten die toen werd ontwikkeld was de energieleverende kas. In de zomer raakt een kas oververhit, die warmte verdwijnt met de ventilatielucht, als je die warmte kunt afvangen en in de bodem opslaat kan je die warmte in de winter gebruiken om woningen te verwarmen. Op een symposium kwam dit concept aan orde. Nadat alle voordelen besproken waren ging het om de toepassing. Ondanks vele pogingen was het nog nergens gelukt. Maar, zo zei de spreker, we hebben nu echt een heel kansrijk project, woningen en kassen helemaal perfect gepositioneerd. Als het hier niet lukt, dan weet ik het ook niet meer.

Een typisch geval waarbij de oplossing (kas – woning) centraal staat en niet (de oplossing van) het probleem (hoge energierekening, CO2 uitstoot, klimaatverandering etc.).

Tegendenken: terug naar het probleem

Als wij aan tegendenken doen is dat meestal omdat er een probleem is. Onze ervaring is precies als hierboven: te vaak staat de oplossing centraal zonder dat duidelijk is wat het probleem nu precies is en voor wie met name dat dan een probleem is. Pas dan kun je zien of de gekozen aanpak een bijdrage gaat leveren aan het verminderen van het probleem. En of er mogelijke alternatieven zijn die nóg beter (of goedkoper) werken. Je kunt dus niet vroeg genoeg beginnen met het stellen van de ‘waarom’-vragen. Een opbouwend gesprek hierover zou er zo uit kunnen zien:

V: Waarom willen jullie woningen aan kassen koppelen?

A: Omdat kassen in de zomer heel veel warmte produceren.

V: Is dat dan een probleem?

A: Nee, maar wel een kans, je zou die warmte kunnen gebruiken om woningen te verwarmen.

V: Waarom zou je dat willen?

A: Dan heb je minder fossiele brandstoffen nodig.

V: Waarom is dat belangrijk?

A: Fossiele brandstoffen zijn duur en vervuilend.

V: Dus het doel is een goedkope en schone energievoorziening?

A: Ja, klopt.

V: En voor wie is dat belangrijk?

A: Voor bewoners.

V: En wat zou er gebeuren als we het niet doen?

A: Dan gaat al die warmte in de zomer verloren.

V: Maar dat was toch niet het probleem?

A: Nee, dan hebben we fossiele brandstoffen nodig en die zijn duur.

V: Maar als ze zo duur zijn, dan gaan die bewoners toch zelf ook op zoek naar een oplossing?

A: Waarschijnlijk wel, maar de vraag is of die oplossing net zo goed is als die van ons.

V: Maar stel nou dat je niets doet, wat zou er dan gebeuren?

Etc.tegendenken 4-01Het gaat er hier niet zozeer om of het plan nou goed of slecht is, maar wel om te achterhalen waarom je dit wilt en voor wie. Zo kom je achter de zwakke plekken van een plan. In dit geval: bewoners maakt het niet uit, zo lang het maar betrouwbaar, duurzaam en goedkoop is. Dat maakt het plan niet slecht maar vraagt mogelijk wel om aanscherping of een andere strategie.

Stijn van Liefland

Tegendenken (2): over positieve intentie

In de vorige blog (begin van de reeks) ging het over de nuttige rol die tegendenken kan spelen. Door ’tegen te denken’ onderwerp je je plan aan een kritische test. En daarmee voorkom je onnodige fouten en/of maak je je plan robuuster en beter.

Dat was wat Stijn bedoelde met de ‘opbouwende’ rol die wij met tegendenken beogen. Je kunt ook tegendenken om iemand of iets af te kraken. Dat is soms ook wel verleidelijk, niets menselijks is ons vreemd, maar dat is niet onze insteek.

Positieve intentie?

Toen hadden Stijn en ik een wat verwarrende discussie over de positieve intentie die wij dus hadden met tegendenken. Ho, wacht even, ‘positieve intentie’ is een woord dat al in psychologische kringen wordt gebezigd en daar een andere betekenis heeft.

Even wat dingen op een rijtje. Het gaat over de verschillende betekenissen die je aan het woord positief kunt geven. Ik onderscheid drie verschillende betekenissen:

Positief (1): taalkundig positief geformuleerd

Tegendenken kan alleen als je weet ‘wat de bedoeling is’. Je moet dus helder hebben wat het doel is. Dit sluit naadloos aan op onze beslisboom. Zonder doel kun je onmogelijk vaststellen of iets ‘de goede kant op gaat’. Psychologen hebben nagedacht over hoe je een doel het best kan formuleren. Niet op inhoud, maar op vorm. Het werkt het best als je het doel taalkundig in ‘positieve’ termen verwoord. Je zegt dus beter liever: ‘ik wil graag dun zijn’ dan ‘ik wil niet dik zijn’. Maar iets kan taalkundig correct geformuleerd zijn in termen van het doel maar toch ‘niet positief klinken’. Bijvoorbeeld: ik wil mijn buurman (wél) in elkaar slaan.

Positief (2): een positieve intentie

Als psychologen het hebben over een ‘positieve intentie’ dan vragen ze naar ‘wat het je oplevert’, naar ‘wat het je brengt’. In wezen heeft elke actie (voor het individu) een positieve intentie. Immers: iemand doet iets met een reden, in de overtuiging dat het hem iets oplevert. Ook dit is in onze beslisboom terug te vinden, dat is namelijk wat wij ‘rendement’ noemen. Rendement is de mate waarin een maatregel het doel dichterbij brengt. Als iemand je in de winkel onvriendelijk te woord staat, dan is dat misschien niet jofel, maar de positieve intentie zal misschien zijn: jou (onhandig) duidelijk maken dat ie het te druk heeft. De winkelmedewerker wil (wél) bereiken dat hij zijn andere klanten (wél) vriendelijk kan blijven bedienen.

tegendenken 2-02Positief (3): positief voor het grotere geheel = waardevermeerdering

Maar wat in de volksmond onder ‘positieve intentie’ wordt verstaan is iets als: met de beste bedoelingen van de wereld iets doen, geen schadelijke effecten (willen) veroorzaken. Dat is wat wij met tegendenken beogen: iets beter maken. Om verwarring te voorkomen én om een betere aansluiting te krijgen bij ons onderwerp gebruiken we hiervoor liever de term: waardevermeerdering.

In een plaatje

Een plaatje zegt meer dan 541 woorden. Linksboven: ‘ik wil rust in mijn hoofd’, de juiste formulering en voegt ook waarde toe. Linksonder: ‘ik wil niet gestoord worden’, voegt wel waarde toe (want ik kan mijn werk beter doen) maar is taalkundig niet productief geformuleerd. Rechtsboven: ‘ik wil de buurman slaan’, helemaal  correct geformuleerd maar voegt waarschijnlijk geen waarde toe. Rechtsonder: ‘ik wil geen gezeik over geld’, niet correct geformuleerd en voegt waarschijnlijk geen waarde toe.

Rudy van Stratum

Tegendenken (1) Introductie

Stel er ligt een nieuw projectvoorstel op je bureau, je bent enthousiast over het voorstel en dat geldt ook voor je collega’s. Grote kans dat jullie er volgende week allemaal mee instemmen. Omdat het januari is wordt er in het overleg ook teruggekeken naar de projecten van het afgelopen jaar. Het bekende verhaal, een (groot) deel van de projecten is geslaagd, maar bij andere is dat twijfelachtig, het bleek toch te duur, te ambitieus, te complex, er was te weinig tijd of er bleek vrijwel niemand geïnteresseerd in het resultaat. Echter ooit was iedereen ook over deze projecten razend enthousiast.

Hoe kom je er nu achter wat er met het nieuwe project gaat gebeuren? Wordt het een succes of wordt het een van die projecten waarvan we een jaar later zeggen, jammer best aardig project maar …. Wij denken dat tegendenken hierbij kan helpen. Wij vinden tegendenken een essentieel onderdeel van slimme financiering en willen daarom in deze serie tegendenken verder uitwerken.

Wat mij betreft heeft tegendenken twee kenmerken:

  • Als eerste een kritische analyse, misschien wel de kern van tegendenken. In plaats van meegaan op de rem trappen en aandacht vragen voor tegenargumenten, wat er mis kan gaan, wat de onzekerheden zijn etc. Het gaat dan om een kritische beschouwing van feiten, aannames, onzekerheden en belangen. Dit is bijvoorbeeld nodig bij voorgenomen besluiten, bij zaken die zonder duidelijk besluit door blijven gaan, wanneer we denken dat iets een probleem is (of juist geen probleem) en wanneer we denken dat iedereen het met elkaar (of vooral met mij) eens is.
  • Als tweede opbouwend, wat mij betreft een belangrijke randvoorwaarde voor tegendenken. Het gaat er niet om iets af te kraken of te laten zien hoe goed je bent in het bedenken van tegenargumenten. Het doel moet altijd zijn om tot verbetering te komen. Hier ligt ook de link met slimme financiering, dat gaat wat ons betreft om het realiseren van zoveel mogelijk waarde tegen zo laag mogelijke kosten. Tegendenken moet daar bij helpen en er voor zorgen dat we goede dingen op de goede manier doen. Het gaat dus bijvoorbeeld om het verbeteren van een voorstel, een bestaande werkwijze, een ingreep etc. En ja, verbeteren kan ook betekenen dat je besluit te stoppen. Maar wel vanuit de overtuiging dat stoppen tot meer waarde leidt dan doorgaan.

tegendenken 1

Wij hebben gemerkt dat tegendenken best lastig is. Allereerst is het moeilijk om persoon en inhoud van elkaar te scheiden. Iemand die kritisch is wordt als lastig en vervelend gezien terwijl deze probeert het idee te verbeteren. Rudy heeft hier al over geschreven in een tweetal artikelen over “ja maar …” Als tweede is het lastig om tegendenken in de praktijk te brengen, welke vragen moet je stellen? Wanneer doe je dat? Welke instrumenten zijn er? Welke valkuilen? In deze serie gaan we dat verder uitwerken.

Stijn van Liefland

Nawoord

We hebben bij deze serie ook een eigen ambitie. Bij wijze van experiment willen we in deze serie volgens een vast format gaan werken. Circa 500 woorden per artikel en altijd voorzien van een diagram / schema of andere visualisatie. Enerzijds werkt het beperkend, maar het dwingt ons ook om steeds snel tot de kern te komen en het maken van een plaatje scherpt de gedachten. We hopen natuurlijk ook dat het op deze manier voor onze lezers een aantrekkelijke serie wordt.

Waste Watcher, goede voornemens voor 2014

De start van het nieuwe jaar is natuurlijk hét moment om goede voornemens te maken. Vorig jaar zijn we in contact gekomen met de “Waste Watcher” Thomas Luttikhold. Hij strijdt tegen voedselverspilling in de Nederlandse huishoudens en dat doet hij op een leuke manier. Leuke filpmjes met slimme tips om met “gered voedsel” weer lekkere dingen te maken. Op verzoek van Thomas hebben we een infographic gemaakt die iets meer laat zien over voedselverspilling in Nederland. Maar, kijk ook eens op zijn site voor tips (http://thomasluttikhold.nl/).

voedselverspilling-01Tijdens het maken van de infographic realiseerde ik me dat het werk van Thomas eigenlijk heel mooi past in onze denkwijze. Bij financieringsproblemen zijn mensen al snel geneigd op zoek te gaan naar innovatieve verdienmogelijkheden en bijzondere constructies, maar de meest voor de hand liggende is natuurlijk zo min mogelijk geld uitgeven. Tegengaan van verspilling is daarbij verdienmogelijkheid nummer 1, geen innovatieve maar juist ouderwetse. Misschien voor iedereen een aardig voornemen voor 2014.

Stijn van Liefland

 

Brabantse natuur naar de markt

‘De natuur is ook een exploitatie-bv’ kopt het Brabants Dagblad vandaag 3 januari 2014. De bezuinigingen op de natuur/parken blijft een actueel thema. Buck Consultants heeft in 2013 onderzoek verricht naar mogelijke verdienmodellen voor enkele Brabantse natuurparken. Later zullen we wellicht dieper ingaan op de conclusies van de rapporten zelf. Nu is de aanleiding én bron het betreffende artikel in de krant.

Redenering

De redenering is simpel. De overheid heeft minder inkomsten, moet dus bezuinigen en heeft ook minder geld beschikbaar voor de natuur. Kortom: minder subsidie. En dus moeten de parken hun eigen broek (meer) ophouden, ondernemer worden en ‘verdienmodellen’ introduceren. Enkele key-players rondom de vier Brabantse parken worden geïnterviewd en doen (met het rapport van Buck op het bureau) enkele uitspraken over mogelijke oplossingen.

Verdienmodellen

Nogmaals: ik baseer me vooralsnog uitsluitend op het krantenartikel. Welke oplossingen blijven ‘hangen’ bij de betrokkenen en om welke bedragen gaat het dan. In een mindmap:

Biesbosch naar de marktIn het geval van park Biesbosch (nationaal park sinds 1994, 90 vierkante kilometer) gaat het om de uitdaging er zelf €1.000.000 bij te harken. Het artikel vermeldt niet of dat per jaar is of over een bepaalde periode van meerdere jaren. De bestuurders hinken een beetje op twee gedachten: natuurlijk moet er bezuinigd worden en wij vinden dat we zelf ook meer creatief en ondernemend moeten zijn, maar: best raar want elke euro subsidie in de natuur levert de maatschappij 4 euro op. Dit laatste is natuurlijk interessant en voor ons een mooie uitdaging te achterhalen waar die uitspraak op is gebaseerd.

Kortom: aan de slag met verdienmodellen. Welnu, een hek rondom ‘onze’ (Brabantse) parken is geen optie, zoiets is alleen weggelegd voor de Hoge Veluwe. Het meest kansrijk en praktisch (mijn subjectieve inweging op basis van de tekst) is het heffen van parkeergelden. Een bedrag van € 2 / dag wordt haalbaar geacht, dat is de prijs van een ijsje immers. Vervolgens is een waterwin-opslag kansrijk, met een opslag van een-duizendste cent per kuub water. Dan het beroemde kopje koffie waar wordt gesproken over een opslag van € 0,10 per kopje. Biomassa (rooien van hout voor verbranding / energie) wordt als onvoldoende rendabel ingeschat. Watersporters kunnen vrijwillig een vaantje voor op hun boot kopen voor € 40-50. En tenslotte gaat de rondvaartboot de verkoop in zodat de exploitatiekosten voor rekening van de nieuwe eigenaar zijn.

De bijbehorende begroting en hoe die € 1.000.000 wordt behaald ontbreekt in het artikel maar zal ongetwijfeld in de achterliggende rapporten worden becijferd (nogmaals: gaan we nog naar kijken). De conclusies zijn globaal wel in lijn met een eerder onderzoek dat we voor InnovatieNetwerk hebben verricht.

Rudy van Stratum

Ondernemerschap (8): empirie

Eerdere afleveringen in de reeks zijn hier te vinden.

Is er ook hard bewijs?

We weten inmiddels dat er geen consensus is over wat ondernemerschap is. Dat geeft ons ook de vrijheid er een eigen draai aan te geven (tot het tegendeel blijkt …). Maar hoe dan ook speelt ‘de persoon’ van de ondernemer altijd wel ergens een rol. En deze persoon heeft karaktertrekken of eigenschappen die hem anders maken dan personen die dat niet hebben, althans dat is dan de hypothese. Eigenschappen is misschien weer het verkeerde woord want uiteindelijk gaat het om de acties die resulteren in een bepaalde context of omgeving of situatie. En of dat nu is door eigenschappen, vaardigheden, overtuigingen of denkstijlen is voor nu even irrelevant.

Zonder in de verste verte maar volledigheid te willen pretenderen, heb ik toch wat tijd gestoken in het vinden van bronnen waar hard empirisch bewijs de hoofdrol speelt. Zijn er eigenschappen die ondernemers meer of anders hebben of inzetten dan andere minder-ondernemende soortgenoten? Ik heb enkele bronnen kunnen vinden in de tijd die ik mezelf had toegestaan.

De geneigdheid tot ondernemen

Deze al wat oudere studie uit 1996 spreekt niet zozeer van eigenschappen die leiden tot feitelijk ondernemen maar van eigenschappen die neigen naar ondernemen: entrepreneurial inclination. De studie (Journal of managerial psychology, ‘Testing hypotheses of entrepreneurial characteristics’ door Hian Chye Koh) komt op basis van literatuuronderzoek tot een 6-tal eigenschappen van ondernemers die deze groep ‘more entrepreneurally inclined’ maken. In de figuur hieronder zijn deze 6 eigenschappen in relatie tot de ‘neiging tot ondernemen’ weergegeven:

ScreenShot219

De auteur formuleert een zestal zogenaamde nul-hypotheses die empirisch worden getoetst aan de hand van data. De eerste nulhypothese (H1) luidt bijvoorbeeld: mensen die een neiging hebben tot ondernemen wijken op het gebied van prestatiemotivatie niet wezenlijk af van andere mensen. We lopen ze alle 6 even langs waarbij ik voor het gemak verder niet meer spreek over de hypothese zelf maar meteen over de bijbehorende eigenschap.

Nogmaals: de 6 genoemde eigenschappen heeft de auteur van het artikel verzameld als die eigenschappen waar het meeste consensus over bestaat. H1 test dus op de prestatiemotivatie, de mate waarin iemand wil presteren, succesvol wil zijn. H2 is de mate waarin iemand denkt zelf verantwoordelijk te zijn (invloed te kunnen uitoefenen op) voor zijn succes. H3 is de mate waarin iemand een beperkt risico wil nemen in een situatie waarin sprake is van eigen invloed in combinatie met een kans op winst of voordeel. H4 is de mate waarin iemand een ambigue of onzekere situatie als comfortabel of zelfs uitdagend beschouwt. H5 is de mate van zelfvertrouwen in eigen kunnen. H6 is de mate waarin iemand geneigd is te zoeken naar nieuwe manieren van denken en handelen in relatie tot handel of bedrijvigheid.

De studie maakt gebruik van een vragenlijst die eerst vraagt of de respondent van plan is een bedrijf te starten en corrigeert voor een beperkt aantal externe factoren (zoals familie-achtergrond). Merk op dat er op voorhand al het nodige aan de opzet valt af te dingen: we komen te weten of iemand ‘geneigd is naar ondernemerschap’ maar weten niet of het om succesvolle ondernemers gaat (sterker nog: we weten niet eens of ze ook daadwerkelijk gáán ondernemen) en het gaat om een zelf-invul test op een willekeurig moment (geen tijdreeksen). Verder is de vragenlijst ingevuld door Hong Kong MBA studenten, waar je ook weer allerlei bedenkingen vanuit wetenschappelijk oogpunt bij kunt hebben (alleen studenten, alleen bepaalde locatie/cultuur).

De uitkomst is dat geen enkele eigenschap van genoemde 6 wordt verworpen en de totaliteit van de 6 eigenschappen kan bijna 90% van de verschillen tussen ondernemers en niet-ondernemers verklaren. Kortom: de zes eigenschappen waarover volgens de auteurs consensus bestaat als onderscheidend voor ondernemers blijken uit dit onderzoek ook daadwerkelijk onderscheidend.

Tijdreeksen

Een andere meer recente studie (‘Nascent entrepreneur(ship) research: a review’, Davidsson and Gordon, 2009, de versie die ik heb toont nog geen publicatie-medium) inventariseert 69 artikelen die gebruik maken van de PSED-aanpak (zie hierover een eerdere blog). Dit onderzoek concludeert (met de nodige moeite) dat:

  • Ondernemers hebben gemiddeld een hogere opleiding (niet te hoog maar middelhoog). Een lager dan gemiddelde intelligentie én en hogere intelligentie zetten blijkbaar niet aan tot ondernemen.
  • Ondernemers investeren gemiddeld bescheiden bedragen in hun (nieuwe) bedrijven en de grootte van het beschikbare eigen vermogen is niet van wezenlijke invloed op ondernemerschap per se. Ondernemen gebeurt dus vooral met relatief kleine startbedragen.
  • Het aanvankelijke doel van start-up-ondernemers is eerder om het klein en ‘managable’ te houden dan dat ze gaan voor maximale groei.
  • Wel is het zo dat de niet-beschikbaarheid van (veel) eigen vermogen de start van bepaalde type ondernemingen uitsluit of bemoeilijkt. Weinig start-kapitaal betekent gewoon een kleinere keuze in de richting van het ondernemerschap.
  • Ondernemers zijn meer autonoom (minder geneigd anderen te volgen). De motieven om te ondernemen zitten eerder in de hoek van zelf-realisatie dan dat ze gedreven worden door de wens tot innovatie en/of het vergaren van geld per se.
  • Ondernemers werken meer dan gemiddeld in team-verband, zij het dat de ’teams’ meestal bestaan uit twee personen.
  • Ondernemers zijn juist meer risico-avers dan niet-ondernemers, hetgeen de mythe dat ondernemers eerder/meer bereid zijn risico’s te nemen doorprikt.
  • Ondernemers kenmerken zich niet door een systematische speurtocht naar nieuwe ideeën en kansen, eerder denken ze dat de beste ideeën wel vanzelf komen zonder dat je er naar op zoek bent. Dit lijkt de theorie van Saravathy te bevestigen, zo ook het volgende punt:
  • Het succes van de onderneming wordt niet bepaald door de mate van voorbereiding en planning maar eerder door de tijd waarbinnen de eerste omzet of winst wordt gerealiseerd. De verklaring dat er toch wordt ‘gepland’ wordt gezocht in institutionele druk bijvoorbeeld door banken bij de financiering van een plan.

 

Toch stellen de auteurs dat de analyse van de 69 artikelen veel minder duidelijke conclusies oplevert dan ze hadden gehoopt. Het lijkt zelfs of het hele onderzoek onderuit wordt gehaald als ze zich afvragen of het zoeken naar verschillen in persoonlijkheid of eigenschappen een vruchtbare weg is. ‘Het vergelijken van ondernemers met niet-ondernemers heeft veel weg van het vergelijken van mensen die op vakantie zijn en die niet op vakantie zijn. Over enkele weken is daar de situatie immers omgekeerd: de vakantiegangers zijn weer thuis en de thuisblijvers op vakantie. Misschien is de interessante vraag rondom ondernemerschap wel: wat doet betrokken raken bij een onderneming met mensen?’ (vrije vertaling RvS).

Als we deze lijn doortrekken zou je eerder moeten testen of mensen in een bepaalde context (die van ondernemen) een aantal denkstijlen of ‘metaprofielen’ hebben die hen in die specifieke context onderscheiden van anderen. We komen dan uit op een test zoals de Mindsonar. Het gaat dan om een denkstijlen-test die niet met eigenschappen werkt maar een set van ruim 10 metaprofielen (in de grafiek hieronder 13 stuks, tesamen 32 balkjes vormend). Ik wil die discussie hier nu niet voeren en hoewel ik zelf meerdere malen gewerkt heb met de Mindsonar is de link naar ondernemerschap (inclusief statistische validering) naar mijn weten nooit gelegd. Een mogelijkheid is in een later stadium Jaap Hollander of Guus Hustinx te vragen naar hun visie op ondernemerschap vanuit juist deze andere insteek.

ScreenShot375

Online Talent Manager van Bert Goos

Als je dan toch vertrekt vanuit de aanname dat een ondernemer een ‘ander’ iemand is, dat kom je uit op een setje van 6 tot 10-15 eigenschappen of kenmerken die het verhaal vertellen. Grofweg komen die kenmerken wel veel met elkaar overeen, de ene auteur noemt het zus en de andere zo, de ene heeft aan 6 eigenschappen genoeg, de ander heeft er wat meer nodig.

Laat ik het wat dichter bij huis zoeken en in gesprek gaan met een ervaren test-psycholoog hier in Nederland. Ik kom uit bij Bert Goos die in Breda een online psychologisch testbureau heeft. Bert is de oprichter en eigenaar en is zijn hele werkzame leven als testpsycholoog actief. Ruim 10 jaar geleden is hij uit onvrede met de bestaande testpraktijk zijn eigen bureau begonnen en heeft zich van meet af aan toegelegd op het nieuwe digitale online-testen.

Bert volgt al jarenlang vele honderden professionals uit allerlei hoeken van bedrijfsleven en overheid. Hij heeft voor allerlei doelen een hele rij testen zelf ontwikkeld en/of aangepast (in de ‘octrogram’-test komt de filosofie van Bert Goos het best tot uiting, deze test is zelf weer geënt op het gedachtegoed van Quinn). Deze combinatie van ingrediënten maakt Bert voor mij een interessante gesprekspartner:

  • Digitale beschikbaarheid.
  • Jarenlang volgen van een grote groep personen uit diverse branches.
  • Die door de tijd heen meerdere testen hebben gedaan.

 

Een van de testen die Bert zelf heeft ontwikkeld (in nauwe samenwerking met collega-ontwikkelaar André Tjoa) is ‘de ondernemerstest’. Ook Bert geeft in ons gesprek onmiddellijk toe dat het denken en testen rondom ondernemerschap nog in de kinderschoenen staat. Maar op dit moment is hij (en naar ik begrijp samen met een promovendus) actief om de resultaten van de ondernemerschapstest te ‘crossen’ met de resultaten uit zijn andere testen die deels door dezelfde personen in de tijd zijn ingevuld. We kijken samen naar wat voorlopige resultaten en wat er voor mij meteen uitspringt is (een conclusie die we eerder al zagen) dat een te hoge intelligentie voor ondernemerschap een beperking is.

Het gaat voor dit verhaal te ver uitgebreider in te gaan op de testfilosofie van Bert Goos. Ik zal hem vragen op het einde van deze reeks zijn visie op ondernemerschap te geven in een aparte gastbijdrage. In het kort: uiteindelijk zitten er 12 (voor ondernemers onderscheidende persoonlijkheids-) dimensies in de test. Omdat ik het zelf lastig vind zo’n groot aantal te onthouden of in perspectief te kunnen zetten, heb ik behoefte aan een verhaal erbij. Want voor een echte theorie is het blijkbaar nog te vroeg, vandaar een verhaal. Al pratende over de 12 eigenschappen heb ik ze zelf in een soort loopje getekend. Het verhaaltje dat ik er zelf bij bedenk is dan:

‘Ik heb als ondernemer de juiste mindset. Ik zie vooral kansen en weet wat ik wél kan. Ik wil iets bewijzen (en dat kan allerlei achtergronden hebben). Maar ik wil het vooral zélf doen, op mijn manier, ik gebruik daar waar nodig en handig anderen door hen te overtuigen en te motiveren. Ik houd vast aan mijn missie en wil risico’s nemen maar weet dat ik soms door verlies te nemen mijn doel eerder bereik.’

Het bijhorende plaatje ziet er dan zo uit:

ScreenShot374

Ik heb Bert deze plaat laten zien en hij beaamt dat dit een passend verhaal zou kunnen zijn (ik hoor althans geen bezwaren). Wordt dus wellicht vervolgd op een later moment.

In de volgende aflevering ga ik zelf een ondernemerschapstest invullen. Ik kies in verband met de reproduceerbaarheid voor een gratis toegankelijke test (ditmaal uit de VS). Aan de hand van de toegestuurde uitkomsten bespreek ik dan of ik zelf wel/niet voldoe aan het profiel van een ondernemer.

Misschien dat ik in een later stadium ook nog de test van Bert Goos kan invullen om zo weer de vergelijking te kunnen maken met deze Amerikaanse test. Vullen ze elkaar aan, spreken ze elkaar tegen etc? Ook kunnen we Bert dan vragen naar zijn visie op deze Amerikaanse test in relatie tot zijn eigen ervaringen/testen.

Rudy van Stratum