Categoriearchief: Overig

Baantjesjagers en zakkenvullers in de politiek? Misschien hierom. (MMM14)

Afgelopen weekeinde in de Volkskrant (20-2-2016) werkt Frank Kalshoven de hypothese uit: hoe zou het komen dat er in de politiek meer baantjesjagers en zakkenvullers actief zijn dan vroeger? In woorden wordt een mooie dynamiek beschreven die roept om het maken van een systeemdiagram.

Kalshoven zegt niet dat er op dit moment meer baantjesjagers en zakkenvullers zijn (stel nou dat …). Maar er is de laatste tijd veel discussie: ófwel vinden ex-politici een baan in hun eigen ‘aandachtsveld’ (KLM, Über etc) ofwel lukt het hen niet om een baan te vinden en maken ze aanspraak op wachtgeld. In het ene geval wordt die ex-politici verweten op een baantje (in het bedrijfsleven) uit te zijn, in het andere geval gaat het om het opstrijken van een relatief hoge vergoeding voor werkloosheid. Je kunt het met andere woorden nooit goed doen als (ex-) politicus.

Dus stel nu dat we nu inderdaad minder ‘intrinsiek gemotiveerde’ politici hebben, hoe zou dat dan kunnen komen?

Adverse selection

De dynamiek die Kalshoven op deze hypothetische situatie toepast staat ook wel bekend onder de term: adverse selection. De maatregelen en acties/reacties lokken precies het tegendeel uit van wat je eigenlijk beoogt door selectie van de ‘verkeerden’.

Het meest gebruikte voorbeeld van adverse selection komt uit de financiële wereld. Een (willekeurige) bank doet zijn best om iedereen aan een lening te helpen. Als vergoeding vraagt de bank een rente van zeg 5%. Aan iedereen, dus ongeacht je risicoprofiel. Nu wordt een van de klanten van deze bank werkloos (of gaat failliet) en de uitstaande hoofdsom moet door de bank worden kwijtgescholden (afgeschreven). Omdat de bank wel zijn centjes wil blijven verdienen en het verlies moet worden gecompenseerd, ziet deze bank geen andere oplossing dan de rente te verhogen naar 6%. Het effect is dat de meest solide klanten van deze bank worden gestraft en die zullen overwegen een andere goedkopere bank op te zoeken. Maar als de beste klanten verdwijnen dan zullen de slechtste klanten overblijven (die effectief weinig keuze hebben). Er zullen nog meer faillissementen volgen en de rente zal nog hoger moeten worden. Etcetera etcetera. Uiteindelijk gaat deze bank failliet omdat de bank blijft zitten met de meest risicovolle klanten.

De politiek: baantjesjagers en zakkenvullers?

Kan iets dergelijks in de politiek spelen? Dus dat de politiek alleen nog de ‘slechtste’ politici over houdt?

Ik probeer de tekst van Kalshoven zo goed mogelijk te volgen.

De aanleiding is een wispelturige kiezer die dan weer eens op deze partij stemt en dan weer de voorkeur geeft aan die partij. (Waarom dat dan weer zo is, blijft in de column van Kalshoven onvermeld). De kiezersmarkt is met andere woorden op drift. Gevolg is dat er vaker verkiezingen moeten worden uitgeschreven. De verliezende partijen zien zich genoodzaakt op de wispelturige kiezer te reageren door nieuwe teams (frisse fracties) samen te stellen (politici die de kiezer beter aanvoelen). Meer wisselingen in de politiek betekent voor de aspirant politicus minder baanzekerheid en meer risico om voortijdig het toneel te moeten verlaten.

Waar voorheen nog intrinsiek gemotiveerde politici aan het spel meededen, vallen er nu een aantal van deze soort af. Er ontstaat een tekort aan echt betrokken politici. Dat betekent dat er uitgeweken moet worden naar andere markten, dat er nieuwe bronnen moeten worden aangeboord. Nu is er noodgedwongen ook plek voor zogenaamde baantjesjagers en zakkenvullers. Deze komen nu terecht in de carrousel van terugkerende verkiezingen en verliezen regelmatig hun baan (zoals voorspeld).

 

baantjesjagers en zakkenvullers - 1

Ze gaan nu dus (noodgedwongen) op zoek naar een nieuwe baan. Mensen die voor de politiek kozen omdat ze daar meer konden verdienen dan in hun reguliere werk, zullen na de uitstoot geen baan kunnen vinden op dit hoger betaalde niveau. Zij zullen dus aanspraak maken op de wachtgeldregeling voor ex-politici. Dat zijn de zakkenvullers.

Degene die voor de politiek kozen als opstapje naar een beter betaalde baan op hun eigen beleidsterrein zullen (als ze hun werk goed hebben gedaan) terecht kunnen bij bedrijven uit de sector (als lobbyist, netwerker etc). Dat zijn de baantjesjagers.

Zowel baantjesjagers als zakkenvullers krijgen dus waar ze naar op zoek waren. Missie geslaagd, zou je kunnen zeggen. Het positieve nieuws verspreidt zich en stimuleert andere baantjesjagers en zakkenvullers om ook de politiek in te gaan.

Maar zo krijgt de politiek een slechte naam, er zijn zo weinig mensen die echt hart voor de zaak hebben etc. Het gevolg is dat het politieke bedrijf een (nog) slechte(re) naam krijgt en er nog minder politici van de oude stempel de overstap naar de politiek zullen wagen.

Het wordt van kwaad tot erger. Moraal: de kiezer die wispelturig is krijgt vanuit het systeem baantjesjagers en zakkenvullers retour.

Rudy van Stratum

PS Tussen haakjes heb ik hier boven al aangegeven dat de start ‘kiezersmarkt op drift’ hier uit de lucht komt vallen. Je zou evengoed een dynamiek kunnen vermoeden tussen politici die het volk onvoldoende vertegenwoordigen (of dat volk niet uit kunnen leggen dat ze dat wél doen) en de kiezer die vervolgens uit onvrede of onmacht op drift raakt.

 

Debunking economics (volgens Steve Keen) (MMM13)

Via de site van ‘Rethinking economics’ ontdekte ik het (gratis te downloaden) boek van economie-debunker Steve Keen. Keen is iemand die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om de strijd aan te gaan met het in zijn ogen beperkte en gevaarlijke gedachtegoed van de neoklassieke economen. Het boek ‘Debunking economics’ heeft inmiddels meerdere edities en aanpassingen ondergaan (zover ik weet dateert de eerste versie van 2001 en de laatste van 2011). Niet een heel makkelijk boek om tot je te nemen maar in mijn ogen wel een relevant boek dat voor economen verplicht kost is. Over betere economie.

Het is ondoenlijk het boek van Keen (met meer dan 50 pagina’s literatuurverwijzingen achterin) recht te doen in een blog. Ik haal alleen wat krenten uit de pap. Ik maak een paar ‘headertjes’ om structuur aan te brengen:

  • Wat is de kern van de neoklassieke economie?
  • Nou en? Wat is daar mis mee?
  • Waarom doen de neoklassieken wat ze doen?
  • Is er een alternatief? Hoe kan het ook.
  • Is er een overeenkomst met wat wij hier doen op ‘slimmefinanciering’?

Wat is de kern van de neoklassieke economie?

Met economie wordt hier bedoeld wat economen in economische tijdschriften publiceren. Economische tijdschriften zijn tijdschriften die door economen in officiële lijsten belangrijk worden gevonden. Daar waar je moet publiceren om punten te halen om hoogleraar te kunnen worden en blijven. Een artikel krijg je alleen gepubliceerd via ‘peer-review’. Dat betekent dat je artikel de toets der kritiek moet doorstaan van je collega economen die (ook) in hoge tijdschriften publiceren.

Er zijn vele manieren om economie te bedrijven. Maar sinds ongeveer de jaren 50 is in die tijdschriften die ertoe doen een specifieke vorm van economie bedrijven leidend en dominant. Die vorm van economie bedrijven staat bekend onder de naam ‘neoklassieke’ economie. Natuurlijk zijn er ook andere vormen van economie bedrijven maar de bijbehorende beoefenaren en tijdschriften zitten aan de ‘rand van het wetenschappelijke spectrum’. De tijdschriften scoren niet hoog, de beoefenaren worden niet altijd serieus genomen en de visies en standpunten komen in de regel niet terecht in de leerboeken economie. Laten we zeggen dat 90% van ‘economie die ertoe doet’ wordt bepaald (gedomineerd zou Keen zeggen) door die neoklassieke economen.

Hoe gaan die neoklassieke economen te werk? Ik heb dat in onderstaand schema duidelijk proberen te maken (( Een model van een model dus … )) :

betere economie - 1Economen werken graag met modellen. Een model is een verzameling van wiskundige vergelijkingen die gevoed worden door een aantal centrale uitgangspunten of vooronderstellingen of assumpties. Die vooronderstellingen kun je vrij kiezen en variëren maar kenmerkend aan neoklassieke economie is dat ze een vast en redelijk onaantastbaar onderdeel van de beoefening zijn. Waar komen die assumpties vandaan? Dat is meteen de kern van de kritiek van Keen: ze komen niet uit empirische waarnemingen. Ze zijn gewoon … ja wat zal ik zeggen … logisch? waar? evident? Keen noemt het ongemotiveerd vasthouden aan die set vooronderstellingen een ideologie, een set van geloofsovertuigingen. In het model met vergelijkingen wordt vervolgens lekker gerekend. En aan het einde van de rit, na het substitueren (of rekenen), komen er wiskundige stellingen (of bij numerieke simulatie: getallen) tevoorschijn.

Belangrijkste kritiekpunt is dat de assumpties niet onderbouwd zijn en ondertussen toch de conclusies bepalen. Flauw zou je kunnen zeggen: je krijgt er uit wat je er in stopt. Je stopt er iets in dat wat je ‘gelooft’ en dan krijg je er dus dingen uit die je graag ‘wilt’. Op zich misschien niks mis mee want het is een check op de interne logica van je geloofsovertuigingen. Maar wat er wél mis mee is: het wordt gebracht als wetenschap (dus ‘waar’) en de conclusies worden gebruikt om onze echte wereld in te richten en te veranderen.

Ik heb wat cruciale vooronderstellingen van de neoklassieken in het schema gezet. Individuele agenten zijn rationeel, hebben de beschikking over alle relevante informatie, en streven naar nuts- en winstmaximalisatie. De markten zorgen voor automatische evenwichten waarbij alles wat gevraagd wordt ook wordt aangeboden (meestal door prijsaanpassing). Geld en schuld spelen geen wezenlijke rol, ze zijn zoals economen dat noemen ‘neutraal’. Agenten doen hun rationele calculaties in redelijke isolatie dus van onderling overleg of interactie is geen sprake. Keen stelt daarom dat macro-economie (de uitkomsten van iedereen bij elkaar) een subtak is geworden van de micro-economie (de uitkomsten van een ieder). Economen noemen dat het aggregatie-vraagstuk: neoklassieken doen dat simpel door aan te nemen dat het totaal de optelsom is van de losse individuen (vandaar de term ‘representatieve agent’).

In het model wordt aangetoond hoe het evenwicht er uit ziet. Economen werken graag en veel met zogenaamde lineaire vergelijkingen en bestuderen het ene evenwicht ten opzichte van het andere evenwicht. In het eventuele tussenliggende tijdspad (de zogenaamde aanpassing van oude naar nieuwe toestand) zijn ze niet wezenlijk geïnteresseerd. Omdat evenwichten snel en moeiteloos tot stand komen speelt de factor tijd nauwelijks een rol in de modellen. Economen spreken van ‘comparatieve statica’.

Het is niet verwonderlijk dat de uitkomsten van de modellen aantonen dat de markt zijn werk doet, dat dat het beste is voor iedereen, een beter resultaat kun je niet bereiken. Daarom is ingrijpen (door de overheid bijvoorbeeld) onwenselijk en verstorend. Laat ondernemers hun werk doen en consumenten in hun wijsheid beslissen wat ze willen kopen en blijf er verder vanaf. ((Tijdens het schrijven van dit artikel kwam ik dit tegen over een andere manier om onze welvaart en groei te meten (niet geld of spullen maar oplossingen als indicator). Hierin wordt ook een beeld geschetst van wat het neoklassieke wereldbeeld van economen inhoudt.))

Nou en? Wat is daar mis mee?

Nou prima toch, laat die lui lekker pielen met hun modelletjes en zichzelf belangrijk vinden op die instituten! Punt is dat dit gedachtegoed verspreid wordt en hele generaties (studenten, maar later dus ook politici, journalisten etc) beïnvloedt en leidend gaat zijn in de inrichting van onze maatschappij.  Neoklassieke economen zijn belangrijke adviseurs van beleidsmakers, ministers en presidenten. Daarom moeten voorheen publieke bedrijven ‘naar de markt’: want ondernemers weten veel beter wat consumenten willen dan overheden (wetenschappelijk bewezen immers). Een ideologie wordt verkocht als wetenschappelijk bewijs.

Een ander punt is dat problemen die we ‘in het echt’ meemaken niet worden gezien en niet worden voorzien. De economische crisis vanaf 2008 hebben neoklassieke economen niet zien aankomen. Eigenlijk, zo wordt wel gezegd, is het ook geen crisis, het is een tijdelijke situatie die zich snel zal herstellen, op weg naar een nieuw evenwicht. En de crisis (als die al zo mag heten) is ontstaan door verstoringen van buitenaf, juist een bewijs dus dat je er met je tengels vanaf moet blijven. Keen stelt dat er gewaarschuwd is voor de huidige crisis (de Nederlander Bezemer heeft hier onderzoek naar gedaan) en dat neoklassieken blind zijn geweest voor wat er onvermijdelijk zat aan te komen.

Het ontbreekt bij een vaste set aan aannames (lees: ideologie) dus aan een intrinsieke verwondering, er is geen behoefte meer om de fenomenen om ons heen te verklaren. Geen nieuwsgierigheid  om de wereld beter te begrijpen. Elke inbreuk op de set eigen overtuigingen wordt gepareerd met een verdediging. Hieronder heb ik de dynamiek van verdediging in een plaatje gezet:betere economie - 2

Er is dus een set aannames die belangrijk zijn voor de neoklassieken (later meer over waarom dit zo is). Er doet zich een verschijnsel voor in de werkelijkheid dat niet strookt met de modellen en conclusies van de neoklassieken. Er treedt een mechanisme van verdediging en/of ontkenning in werking. Afwijkende geluiden komen niet in de tijdschriften die ertoe doen. Reparaties of verklaringen die (nog steeds) passen in het eigen wereldmodel wél. Vervolgens worden periodiek leerboeken gemaakt en opleidingen verzorgd, allemaal in de traditie van de leading ideologie. Generaties studenten worden opgeleid met dit gedachtegoed. De originele artikelen worden niet gelezen, laat staan dat de context en/of de (historische) alternatieven aan bod komen. Zo blijft de bestaande set vooronderstellingen door de tijd en door de generaties onaangetast.

Waarom doen de neoklassieken wat ze doen?

De vraag die voortdurend bij mij opkomt tijdens het lezen van Keen’s boek is: stel nou dat ie gelijk heeft (en die club neoklassieken inderdaad een min of meer gesloten bastion vormen), waarom doen ze dan wat ze doen? Waarom is het zo hardnekkig? Het gaat hier toch om meer dan gemiddeld slimme mensen die toch ook de krant lezen en zo?

Keen gaat hier niet heel expliciet op in. Door de tekst heen zijn wel wat vermoedens te vinden. Ik heb die bij elkaar gescharreld en er enkele eigen vermoedens bij gezet in een mindmap (( Zie een eerdere serie blogs hier op de site waarin ik met vergelijkbare ideeën kom. ))

Om te beginnen kan het een esthetische kwestie zijn. Als een economie netjes op zijn pootjes terecht komt (in een evenwicht) en dat gaat helemaal vanzelf, dan heeft dat iets gracieus. Je ziet de natuur aan het werk (en dan is het goed, zonder menselijk ingrijpen). Adam Smith en de metafoor van ’the invisible hand’ is niet voor niets zo beroemd geworden.

Dan is een overweging dat de ruwe werkelijkheid zich niet zo makkelijk laat pakken in een wiskundig model. En economen zijn ondertussen dol op wiskunde omdat dat het vak de rigueur geeft van een echte wetenschap zoals de natuurkunde. Wiskunde is dus verplicht (onderscheidt je ook van de gewone man) en dan ontkom je niet aan een sterke simplificatie van de werkelijkheid. Het aggregatievraagstuk indien sprake is van meerdere anders handelende actoren is wiskundig hopeloos ingewikkeld. (( Keen beweert overigens dat die neoklassieken die zo hoog opgeven over hun wiskundige kwaliteiten bij echte wiskundigen door de mand vallen. De wiskunde is vaak verouderd en is jarenlang binnen de groep economen zelf gebruikt en een eigen leven gaan leiden. Keen vergelijkt het ergens met een emigrant die in het buitenland zijn eigen taal blijft spreken. Na jaren is dan de eigen taal helemaal verbasterd en afwijkend van wat de ’thuisblijvers’ inmiddels spreken. ))

Zouden belangen een rol kunnen spelen? Misschien is het een complot van wetenschap en gevestigde orde tegen de domme massa? De conclusies en aanbevelingen pakken inderdaad vaak gunstig uit voor de partijen die het al goed doen (de gevestigde orde, de rijken, vul zelf maar in). Keen ziet dat argument niet zo zitten. De meeste wetenschappers doen hun best en hebben de beste intenties. Als het eigenbelang echt zo belangrijk is dan hadden ze wel een ander beroep (dan wetenschapper / onderzoeker) gekozen immers. Economen hebben in die zin een belang bij het vasthouden aan de ideologie dat dat de kortste weg is om hoogleraar of beleidsadviseur te worden, dat dan weer wel.

Aan de linkerkant van de mindmap staat een aantal mogelijke denkfouten waar ook economen ‘last’ van zouden kunnen hebben. Door de opleiding en de leerboeken ga je op den duur geloven wat er staat. Iedereen doet het, dus zal het wel goed zijn. De professor vertelt het dus moet het ook waar zijn. Een mooi voorbeeld van group think waarbij tegengeluiden ongewenst zijn en op den duur verstommen. Of wat te denken van ‘loss aversion’? Jarenlang heb je beweerd dat de economie vanzelf op zijn pootjes terecht komt en dan komt er ineens een grote crisis. Dan is het logisch dat je niet meteen alles overboord gooit maar eerst kijkt hoe je je ‘investering’ overeind kunt houden. Of, tenslotte, misschien speelt het winnaarseffect? Je krijgt je artikelen gepubliceerd en je wordt hoogleraar: dan ga je ook vanzelf geloven dat wat jij opschrijft goed en waar is. Je wordt arrogant en je sensitiviteit naar wat er om je heen gebeurt neemt als vanzelf af.

Eigenlijk best logisch dus. Het is een soort economie van de economen. Ik zou het ook zo doen als ik in die groep zat.

betere economie - 3

Is er een alternatief? Hoe kan het ook?

De boodschap van Keen is wel duidelijk: deze situatie (van de dominantie van deze club economen) is ongewenst en schadelijk. Hoe moet het dan wél? Kan het ook anders?

Dat antwoord valt uiteen in twee delen. Op de eerste plaats zijn de neoklassieken niet altijd zo dominant geweest. Eerst had je bijvoorbeeld de ‘klassieken’ (zo tussen 1880 en 1935) die dominant waren in de wetenschapsbeoefening. En toen kwam de eerste grote crisis van de jaren 30 en kwam Keynes met zijn ‘General theory’. Sommigen stellen dat (de theorie van) Keynes zo tussen 1940 en 1970 de dienst uitmaakte. Keynes was geïnspireerd door de crisis, had oog voor onzekerheid en risico (onvolledige informatie) en gaf ‘onevenwicht’ een plek. Anderen stellen dat Keynes vrij snel door de klassieken werd ingekapseld als een bijzonder geval (een tijdelijke situatie, een uitzondering). Hoe dan ook blijkt een bastion niet helemaal ongevoelig voor (grote) invloeden van buiten te zijn geweest. Dus wie weet is de huidige crisis wederom een uitgelezen moment om de koers om te gooien en de ideologie ter discussie te stellen?

Het andere antwoord is dat er ondertussen meerdere stromingen zijn die zoetjesaan serieuzer genomen worden. Keen bespreekt in een apart hoofdstuk een stuk of vijf economische scholen die in zijn ogen vorderingen maken. Nee, het alternatief is niet het (post-, neo-) Marxisme. Ook het Marxisme vertrekt vanuit een ideologisch bastion waar nauwelijks discussie over mogelijk is. Inmiddels bemoeien échte wiskundigen en natuurkundigen zich ook met de economie. Inmiddels hebben we ook de beschikking over krachtige computers en kunnen we complexe dynamieken veel beter simuleren. Ook deze benaderingen hebben zo weer hun eigen voor- en nadelen. Per saldo laat Keen het in het midden of en hoe de economie als wetenschap zich verder zal ontwikkelen. Duidelijk is wel dat WIJ (burgers, lezers, consumenten) hier ook een belangrijke rol kunnen vervullen. We moeten in ieder geval diverser onderwijs eisen en pluriformiteit afdwingen (gelooft ie toch in de soevereine consument?).

Wat vindt Keen zelf eigenlijk? Wat verwacht hij van een econoom en/of een goed model? (mijn interpretatie obv het boek)

  • De assumpties moeten zijn gebaseerd op de werkelijkheid of empirie.
  • De assumpties moeten open staan voor discussie en verbetering.
  • Het model moet zijn ingegeven door nieuwsgierigheid over actuele vraagstukken.
  • Het model moet ruimte laten aan onevenwichtigheden.
  • Tijd en onzekerheid hebben een plek (dynamiek).
  • Ruimte voor gekromde vergelijkingen (ipv lineaire relaties). Meer aandacht voor betere/complexere wiskunde.
  • Serieuze aggregatie van micro naar macro. De som is meer dan de optelling van de delen.
  • Geen representatieve agenten maar introductie van meerdere ‘klassen’ met elk hun eigen gedrag.
  • Expliciete aandacht voor de (niet-neutrale) rol van geld, schuld en banken.

Opvallend vind ik daarbij dat Keen vasthoudt aan de veronderstelling van rationaliteit. Ergens merkt hij op dat economisch gedrag niet altijd rationeel is maar dat dat meer het domein is van de psychologie. Daarbij lijkt hij uit te sluiten dat de recentere inzichten uit de denkfoutenliteratuur en de behavorial economics (o.a. Kahneman, nudges-literatuur) tot het arsenaal van de modellerende econoom moet behoren. (( Overigens zie ik dat zelf ook niet als een probleem. Het ligt er maar helemaal aan hoe je rationaliteit definieert. Ik ga daar hieronder nog op in. )) Verder merk ik op dat er wel degelijk serieus is gemodelleerd met rationele onevenwichtigheidsmodellen (gebaseerd op wiskunde uit de gloriejaren van de ruimtevaart) al vanaf medio jaren 80. Af en toe in serieuze tijdschriften, maar ik geef toe (ook op basis van eigen ervaring) dat het nooit tot de kern is doorgedrongen. Mijn (sterk verouderde) ervaring met complexe simulatiemodellen (dat is waar je dan bijna onvermijdelijk op uit komt) is dat het lastig is tot robuuste uitkomsten te komen die praktische betekenis hebben (kleine veranderingen aan de voorkant leiden soms tot volstrekt andere conclusies, niet echt handig natuurlijk).

Ik kan dit pleidooi om ons los te weken van de te beperkte manier van neoklassieke economiebeoefening alleen maar een warm hart toedragen. Ik ben dus voor, het vak moet op de schop, meer discussie, meer pluriformiteit, meer aandacht voor de actualiteit en nieuwsgierigheid. Het meest essentiële onderdeel van het betoog van Keen vind ik dat banken (en geld- en schuldcreatie) veel en veel meer serieuze aandacht verdienen in de modellen. Zonder banken en de bijbehorende zogenaamde Ponzi-games die ze met bedrijven en consumenten spelen, zullen we de grote crisis van 2008 niet in de vingers krijgen. Een kenmerkende passage uit het boek vind ik in dit verband:

betere economie - 5

Jammer dat Keen niet een (nog) groter deel van zijn boek aan banken en het ontstaan van de crisis heeft besteed (( Ik ben me ervan bewust dat Keen over dit onderwerp een nieuw boek aan het schrijven is en er een hele site aan heeft gewijd, maar daar ben ik nog niet aan toegekomen. )) Ruim een derde van het boek gaat nu over wat Keen noemt wiskundige fouten en logische inconsistenties die hij bij de neoklassieken heeft ontdekt. Ik kan Keen op die punten (denk ik) wel volgen maar zie ook hoe de neoklassieken dat niet als fouten of inconsistenties zullen ervaren. De discussie is voor deze bespreking te technisch maar volgens mij is wat Keen in dat deel van het boek doet minder relevant voor onze inzichten in het ontstaan van de economische crises.

Samenvattend: wat mij betreft een relevant en niet te missen boek over de staat van de economische wetenschap (en over hoe het anders/beter moet).

Wat is de relatie met ‘slimme financiering’?

Ik wil tenslotte nog een verband leggen tussen het pleidooi van Keen (de nieuwe manier van economie-beoefening) en wat wij hier op ‘slimme financiering’ doen. Natuurlijk: wij maken hier geen economische modellen (( Hoewel ik hier een klein modelletje heb staan, dat overigens nog een vervolg behoeft …. )) . Maar de rode draad op deze site is toch (ook) een economische. Kernvraag daarbij is: doe ik er goed aan dit project wel/niet uit te voeren? Ik noem enkele mogelijke overeenkomsten met wat Keen voorstaat (en verafschuwt in de neoklassieke benadering):

  • De kern van onze aanpak ligt bij de zogenaamde beslisboom. Wij gaan daarbij in eerste ronde uit van rationele beslissers. Een rationele beslisser wil zeggen: wil met minimale middelen zijn doel bereiken. Je moet natuurlijk wel eerst weten wat je doel is en welke middelen tot je beschikking staan. En je middelen zijn niet beperkt tot geld en Euro’s, maar zijn ook tijd, arbeid, aandacht. Net als Keen houden ook wij vast aan rationaliteit als ordenend principe.
  • Wij gaan echter niet uit van volledige informatie die iedereen tot zijn of haar beschikking heeft. Informatie en tijd zijn schaars. We nemen dus in onze beslisboom mee van welke verborgen kosten (en opbrengsten) mogelijk sprake is. Denk aan transactiekosten, overlegkosten etc.
  • Wij gaan niet uit van representatieve agenten. Iedereen heeft een andere context, een ander belang, andere informatie, een andere perceptie etc. Dat betekent dat wij in het analyseren van een beslissing ook kijken naar welke andere spelers betrokken zijn. Het ‘model’ van de andere spelers kun je ontdekken door het spelen van een simulatie waarin je expliciet de rol van de ander inneemt en zijn denkwereld verkent (zie bijvoorbeeld ‘ritual dissent’ en de Disney-strategie). Hierbij wordt al snel duidelijk dat jouw acties gevolgen hebben voor de ander en vice versa. We spreken hier ook wel van het fuseren van belangen.
  • Vanzelfsprekend krijgen de elementen ’tijd’ (dynamiek) en ‘onevenwicht’ in deze discussies een reële plek.
  • We zouden hier op kunnen houden. Eigenlijk is dat wat Keen voor de economische modellen bepleit.
  • Onze ervaring met projecten en samenwerkingsverbanden is echter dat er nog meer speelt. We bouwen daarom nog twee rondes in. De eerste ronde ‘bovenop de rationaliteit’ is het verkennen van de bekende denkfouten. Wat mij betreft is de analyse van de economische wetenschappers als ‘stam met rituelen’ een mooi voorbeeld van hoe het in de praktijk werkt: prestige, status, gemakzucht, behoudzucht, toeval, gewoontes, opkijken naar de baas, tunnelvisie, wederkerigheid, verliesaversie …. het kan allemaal een rol spelen. Zie de checklist ‘denkfouten’ die we naast de ‘beslisboom’ als tool gebruiken.
  • Een tweede ronde bestaat uit het kijken naar wat er alsdan op tafel ligt vanuit een systeemblik. We kijken vanaf enige afstand (met de blik van een nieuwsgierige buitenstaander) naar de dynamiek (ongewenste uitkomsten van het systeem) die mogelijk is ontstaan. Dit onderdeel staat nog in de kinderschoenen en een echte tool of stappen plan hebben we nog niet beschikbaar. Maar schetsen zoals te vinden bij de blog over de ZZP’er, over de banken of over Shell zijn voorbeelden van hoe dat kan werken.

Hopelijk zal duidelijk zijn dat de stappen hierboven wat kunstmatig uit elkaar zijn getrokken. Lang niet altijd hoeven of kunnen die stappen zo systematisch te worden afgewerkt. Stijn vergelijkt het met het afpellen van een ui. Soms moet je na het afpellen van een laagje huilen en stop je (even) met afpellen. Soms is het ook irritant om alles af te pellen. Een samenvattend overzicht van onze werkwijze slimme financiering zoals we die de afgelopen jaren hebben ontwikkeld is hieronder gevisualiseerd:

betere economie - 6

Rudy van Stratum

 

Andere relevante blogs eerder verschenen:

Werk als disutility?

Een korte blog ditmaal. Gewoon omdat ik tegen een Tweet aanliep (( Misschien heeft een enkeling al gemerkt dat Stijn en ik de laatste week flink aan het tweeten zijn geslagen. Ik was altijd wat sceptisch over de mogelijkheden van Twitter (voor ons werk) maar wil het nu eens een periode wat actiever gaan volgen. )) van Gerhard Hormann:

ScreenShot176Hormann refereert dan weer naar zijn blog (( Inderdaad, in zo’n tweet kun je echt niks kwijt. Maar ja, in de beperking toont zich … )) :

 

ScreenShot175

Ja, dat is ook Twitter: elke gelegenheid te baat nemen om je eigen boek onder de aandacht te brengen. Goed, ik doe gewoon mee.

De column van Matthijs Bouman (5 februari publicatiedatum) kun je niet zonder meer lezen dus een link heeft hier weinig zin. Maar hier het laatste stukje (conclusie) van zijn betoog (waar ik hieronder nog op terug kom):

Screenshot_2016-02-10-13-19-39Essentie van betogen

Interessant wat hier gebeurt.

Wat beweert Bouman:

  • Nieuw onderzoek naar wat mensen gelukkig maakt.
  • In een belangrijk economisch tijdschrift. Dus: dat moet je serieus nemen.
  • Conclusie: mensen worden gelukkig van van alles en nog wat, o.a. van dansen en sex.
  • Maar waar ze vooral niet gelukkig van worden: van werk.
  • Ja, dat wisten economen allang. Maar het was een aanname van economen, nu is het ook wetenschappelijk onderbouwd.
  • Als werk niet vervelend zou zijn, dan zou er immers ook niet voor worden betaald.
  • Maar betekent dit nu dat we met zijn allen veel meer vrije tijd moeten opnemen (om te gaan dansen en zo)?
  • Nee, daar komt Nederland niet verder mee.

Wat beweert Hormann:

  • Kijk, ik roep al jaren dat werken vervelend is.
  • Ik schrijf daar boeken over.
  • Daar verdien ik (deels) mijn geld mee.
  • Nu is er een econoom die ertoe doet, die mijn overtuiging bevestigt.
  • Ergo: leest mijn boek.
  • Ik kan dan blijven doen wat ik leuk vind.

Belangen

Wat speelt hier?

  • Beide auteurs zien vooral wat ze willen zien:
    • Bouman: (klassieke) economen-referentie.
    • Hormann: zzp- en/of schrijvers-referentie.
  • Beiden hebben met andere woorden een eigen wereldbeeld met een bijbehorend belang.
  • Kern van de achterliggende vraag is (volgens mij) de complexiteit rond het begrip arbeid of werk.

Alleen op het laatste ga ik kort in (als econoom, dus vanzelfsprekend ook met een beperkt blikveld).

Werk als disutility

Hoe gaan economen om met het begrip werk?

Een econoom (van de neo-klassieke variant, zeg maar wat je bij de gemiddelde inleiding economie leest en hoort) noemt werk een ‘disutility’. Dat is iets waar je geen plezier aan beleeft. Sterker nog: je vindt het vervelend. De tegenpool van werk is ‘vrije tijd’. Immers, je hebt maar een beperkt aantal uren in je leven tot je beschikking. Alle uren die je werkt en vervelend doorbrengt, kun je niet genieten (van vrije tijd). Vrije tijd sec is ook niet zo heel bijzonder want in economenland heb je geld nodig om iets leuks te doen. Ergo: je moet wel werken (tegen betaling) om geld te hebben om spullen (utility 1) te kunnen kopen waar je in de vrije tijd (utility 2) van kunt genieten.

Vrije tijd en spullen zitten, zoals economen dat noemen, in de nutsfunctie. De hoeveelheid geld die je verdient met werken is de beperking aan je maximaal te halen nut. Economen zeggen dan: het nut wordt (door consumenten annex werknemers) gemaximaliseerd onder de randvoorwaarde van hun gelimiteerde budget.

Wiskundig bezien kun je nu onder andere aantonen dat:

  • Er wordt alleen maar gewerkt als er een vergoeding tegenover staat. Immers: je moet worden gecompenseerd voor het opofferen van iets fijns (vrije tijd).
  • Naarmate het werk vervelender wordt zijn er minder mensen die het (voor een bepaald bedrag) willen doen. Ergo ontstaat schaarste aan mensen die dat vervelende werk willen doen en dus zal de beloning voor dat werk hoger worden. Omgekeerd ook: naarmate er minder mensen zijn die het werk kunnen of willen doen, moet de beloning hoger zijn.
  • En zo verklaren economen dat het terecht is dat managers en directeuren meer verdienen dan schoonmakers en vuilnismannen (aha, Rutger Bregman en zijn companen bij De Correspondent). Want: bazen zijn schaars en opereren in een concurrerende internationale markt, dus goed betalen is het devies (beste voor iedereen, maximale benutting van talent).
  • En zo verklaren economen, maar dat is een zijpad, waarom een basisinkomen zal leiden tot een verminderd aanbod van werkwilligen, het stimuleert luiheid. Waarom zou ik immers nog werken als ik het geld zo gratis kan krijgen?

Problemen met werk als disutility

Ik ben econoom genoeg om te zien hoe fraai het bouwwerk van economen is (kan zijn) om veel zaken in het leven te verklaren. Maar hopelijk ben ik niet zo verkokerd om ook te kunnen zien dat we heel veel niet kunnen verklaren.

Om te beginnen is daar het belang van economen zelf. Economen willen graag overkomen als echte wetenschappers. En zich kunnen meten met de natuurkunde. En dus willen ze tijdschriften waarin ze publiceren als natuurkundigen. Met veel formules en afleidingen. De theorie van ‘werk als disutility’ is wiskundig fraai en leent zich voor mooie afleidingen. Omgekeerd: werk als utility leidt tot enorme problemen en uitdagingen waarmee je wiskundig flink vastloopt. Niet goed voor de publicaties, dus vasthouden aan het wereldbeeld van ‘werk als disutility’.

Ik heb wel eens gehoord van mensen die langer bij het CPB hebben gewerkt dan ik in een grijs verleden: eerste directeur en Nobelprijs-winnaar (jaja, die kon het dus weten) Jan Tinbergen verbaasde zich over de beloning die hij kreeg voor zijn werk. ‘Ik heb een prachtige en eervolle baan en krijg daar nog voor betaald ook’. Tinbergen vond dan ook dat er een korting op ‘fijn werk’ moest komen. Nu was Tinbergen een openlijk socialist, dus ook hij zal belangen hebben gehad.

Inmiddels weten we natuurlijk met gezond verstand en intuïtie dat werk veel meer is dan ‘een manier om je budget te verhogen’ (lees: geld te verdienen). Werk geeft zin en betekenis, het maakt onderdeel uit van je sociale context. Werk betekent dat je ergens bijhoort, dat je belangrijk bent. Werkt zorgt voor ritme en structuur. Werk geeft de gelegenheid om te leren en om mensen te leren kennen. Werk geeft toegang tot zaken waar je anders niet bij zou kunnen komen.

Ja natuurlijk, vaak is werk vervelend en monotoon. En als je verder geen geld hebt dan zul je soms dat werk toch moeten doen. Maar ik weet zeker dat heel veel mensen die niet voor het geld hoeven te werken dat toch graag doen. Hoe zit dat dan? Nou simpel, werk is dus in veel gevallen wel degelijk een utility. Bovendien geeft werk status en macht. En hoe hoger in de pikorde hoe meer status en hoe meer macht. Natuurlijk hoort daar ook geld bij en dure spullen. Die zijn soms nodig om die macht tentoon te spreiden. Hoge lonen worden in dergelijke gevallen dan ook niet verklaard door te refereren aan de vele aannames in de wiskundige constructies van klassieke economen. Hoge lonen zijn te verklaren door het dichter bij de macht (en de pot, de poet) te zitten en daar een groter deel van op te eisen voor jezelf (( Zie bijvoorbeeld Jos van Hezewijk in een eerdere blog en reacties hier op de site. )) . Volkomen rationeel overigens (dus de hele economische theorie hoeft nog niet overboord).

Betere verklaringen voor ‘werk als utility’ zijn ook wel te vinden in de economische literatuur maar ik heb dat nu niet paraat (ik denk aan speltheorie en/of inzichten uit ‘behavorial economics’ zoals Kahnemann en Ariely). We zouden de hele lijst denkfouten nog eens kunnen nalopen. Als je minder gaat verdienen dan zou dat wel eens gezichtsverlies kunnen betekenen (neiging tot consistent handelen). Succesvolle mensen verdienen veel, dus ik moet (ook) veel verdienen om succesvol te zijn (authority bias). Ik ben steeds meer gaan verdienen en heb nu ook een hoger bestedingspatroon waaraan ik gewend ben (er is geen weg meer terug, loss aversion).

Conclusie wekt bevreemding

Hormann heeft natuurlijk helemaal gelijk als hij ervoor kiest om leuker werk te doen en ondertussen minder te verdienen. Het totale welbevinden kan in zo’n geval flink hoger zijn (zoals hij al aangeeft: minder files, minder gedoe met bazen, afijn het beeld is duidelijk). De hele definitie van wat werk is en wat vrije tijd wordt in zo’n geval ook een ‘blur’. Gedrag á la Hormann vereist wel dat je boven jezelf uitstijgt en je genotselementen veel ruimer kunt zien (hoezo alleen goederen waar ik van kan genieten? gewoon naar buiten kijken, dat is pas mooi! etc). Maar omgekeerd kan bij Hormann ook het denkfouten-duiveltje meespelen: oei, ik word op mijn leeftijd niet meer aangenomen, laat ik dan maar zeggen dat ik er voor gekozen heb meer te gaan genieten en boeken te schrijven (confirmation bias misschien).

Maar de conclusie van Bouman wekt bevreemding. Als echt wetenschappelijk is aangetoond dat wij gelukkiger worden van meer vrije tijd …. En van dansen en sex … Waarom zou het beleid dan niet gericht mogen worden op het bereiken van die doelen? Misschien omdat het geen duurzaam (volhoudbaar) gedrag is? Dan moet je dat laten zien. Het doel kan niet zijn om maar zoveel mogelijk goederen te produceren of om elk jaar x% te groeien of om ‘onze concurrentiepositie te behouden’. Tenzij we dat op zichzelf belangrijk vinden. Maar dan moet dat eerst nog maar eens worden bewezen, dat groei sec ons gelukkig maakt (whatever the consequences). Bij voorkeur in een écht economisch tijdschrift waarin belangrijke economen publiceren.

Rudy van Stratum

PS Weer geen korte blog geworden ….

 

 

Bankencrisis verklaard door ex-bankier (MMM12)

Vorige week las ik een interessante bijdrage in de Volkskrant over het ontstaan van de bankencrisis (zie hier het volledige stuk op de site van Sezen). Nu hebben we inmiddels tientallen verklaringen voor het ontstaan van de crisis, maar deze is om minstens twee redenen interessant:

  • De schrijver is ex-bankier en heeft zo’n 25 jaar in en rond de top van de Rabo-organisatie gewerkt. Wim van Dinten heeft dus een kijkje in de keuken gehad en dicht bij het vuur gestaan. Een blik van binnenuit dus.
  • Veel verklaringen leggen het accent op de techniek van bankieren en regelgeving. De crisis is in die verklaringen ontstaan door de toenemende vrijheid die banken kregen in combinatie met de opkomst van ict en complexe producten (verpakte hypotheken, ‘kwants’ en zo verder). Je zou de recente film ‘The big short’ ook in deze laatste categorie kunnen indelen (met name het eerste deel van de film). De verklaring van Van Dinten legt het accent meer op een andere moraliteit en daaruit volgend ander gedrag.

De opstart

Het is maar een kort artikel dus zelf lezen heeft de voorkeur. Ik volg het artikel zoveel mogelijk en probeer tot een systeemdiagram te komen.

Het begint volgens Van Dinten ergens rond 1988 toen het boek ‘Breaking up the bank’ verscheen. Hierin werd, conform de nieuwste economische inzichten, uit de doeken gedaan hoe je als bank meer kon verdienen door de bank op te splitsen in losse delen. McKinsey stuurde dat boek op naar haar klanten om de mogelijkheden van dit nieuwe ‘verdienmodel’ met de top van de banken te bespreken. De banken hadden wel oren naar dit nieuwe model en er brak een fase aan van implementatie.

Bij de implementatie (na het opsplitsen) werden de verschillende nieuwe business-units elk verantwoordelijk voor het maximaliseren van hun winsten. Er werd gestuurd op cijfers en economische rationaliteiten. En het nieuwe model bleek uitstekend te werken. In de jaren daarna explodeerden de winsten van banken. Aan de zijlijn gaf de grote toezichthouder en regelgever Alan Greenspan goedkeurende knikjes (en/of loftuitingen): ja, dit is een prima model, eigenbelang is goed.

Ik vat deze opstarthistorie samen met:

    • Focus door managers op eigenbelang en maximale winst.
    • Rationele sturing (nieuwe economische technieken gebaseerd op spreadsheets en scorecards) op financiële resultaten.

 

ScreenShot148

De stand van de economische wetenschap speelt hier dus een belangrijke rol. Eerder schreven we al over de ideologie van de vrije markt die nauw verweven is met wat economen in hun boeken en tijdschriften publiceren.

De cirkel

Maar dit is slechts de opstart (de aanleiding, de historie). Hoe ziet de zichzelf versterkende cirkel (de dynamiek waar we naar op zoek zijn) er uit? Een kleine ‘loop’ hadden we al te pakken: de belangrijke toezichthouder die de banken complimenteert met hun gedrag en bijpassende resultaten. Het succes is dermate groot dat (bewust of onbewust) het idee ontstaat dat de mensen in de omgeving (de leefwereld) er niet meer zo toe doen. Althans, het is niet de business van de bank, dat is puur die maximale winst. Moraliteit (of het wel ‘klopt’ wat je doet) wordt zoetjesaan een ouderwets en stoffig begrip.

Het gedachtegoed van de economen en bankiers grijpt als een virus om zich heen. Het lijkt of er sprake is van ‘groupthink’ want ook journalisten, politici en zelfs burgers en consumenten gaan in deze nieuwe wereld van eigenbelang en rationaliteit mee. Gevolg is dat er geen tegengeluid en weerwoord meer is. Banken krijgen vrij spel om nieuwe producten te ontwikkelen waarbij geldt ‘zolang het niet verboden is mag het’. Van Dinten spreekt over het aansmeren van nieuwe producten. Managers en medewerkers moeten immers hun targets halen. De klant staat centraal maar vooral als middel om de eigen doelstelling te halen.

Uiteindelijk (zie The Big Short en vele vele artikelen) ontploft de boel na een aantal jaren en is vanaf 2007-2008 sprake van een internationale economische crisis met vele slachtoffers. De dynamiek wordt nu versterkt door de toezichthouders die reageren met meer toezicht en meer regels. Met andere woorden: het gedrag en het sturingsmodel worden niet ter discussie gesteld. Het is niet het gebrek aan moraliteit en/of de rationaliteit van targets die het probleem vormen. We hebben gewoon niet goed opgelet en te weinig kaders en regels gesteld. ‘Meer regels’ past met andere woorden prima in dezelfde wereldoriëntatie (van bankiers/economen) maar nu van toepassing op de toezichthouders. Ook de operatie van toezichthouders is immers gebaseerd op economisch rationele stuurmodellen en targets (de targets zijn ditmaal niet maximale winst maar maximale pakkans of minimale overschrijding van de regels oid). (( Vergelijk het met een medewerker die steeds te laat komt. De manager heeft het gehad met deze medewerker. Nog één keer te laat en je krijgt een boete! Nog een keer te laat en je wordt ontslagen. De manager wordt afgerekend op het aantal medewerkers dat op tijd komt. De medewerker raakt (nog meer) gedemotiveerd, wordt minder productief en het wordt van kwaad tot erger. In een andere wereldoriëntatie zou de manager het gesprek met de medewerker aangaan. Speelt er iets? Kan het bedrijf ergens faciliteren? Welke afspraken maken we met elkaar? ))

 

ScreenShot165

De grotere dynamiek

We kunnen de twee delen (opstart en cirkel) nu samenvoegen en de grotere dynamiek gaan bekijken.

Zonder volledig te willen zijn spelen heb ik nog enkele feedbackloops aangebracht:

  • Journalisten en politici kunnen ná het spatten van de crisis een tegengeluid laten horen (waardoor aansmeren nieuwe producten moeilijker wordt, zie Radar-uitzendingen).
  • Na het barsten van de bubble kunnen er scheuren komen in de bestaande wereldoriëntatie en/of kan de economische wetenschap andere modellen verkennen.
  • Zolang de winsten blijven stijgen (ondanks eventuele crises) is er juist een bevestiging van de huidige wereldoriëntatie.

 

ScreenShot153

 

De kern van het betoog van Van Dinten is dus dat zolang we eigenbelang en sturing op cijfers (zonder context) de gewoonste zaak van de wereld blijven vinden, we bezig zijn met symptoombestrijding. Ik zie wel overeenkomsten met het college dat Van Egmond onlangs gaf tijdens een Radar-extra college, waarbij ik het volgende diagram tekende:

wijzijn-ikheb02

Rudy van Stratum

Waarom ZZP’ers de economie te gronde richten (MMM11)

Het lijkt deze week wel ‘de week van de zzp’er’. Afgelopen zaterdag stond er een zeer uitvoerige beschouwing in de Volkskrant over (wat ik hier maar noem) de dynamiek van het nieuwe zzp-schap. Het artikel uit VK van zaterdag 23 januari 2016 is van de hand van Yvonne Hofs. Enkele dagen daarna volgende vele reacties en discussies naar aanleiding van het artikel. En in deze zelfde week was er ook veel aandacht over de toename van het aantal zzp’ers omdat er nieuwe cijfers beschikbaar zijn gekomen (cijfers over zzp’ers).

Kort de cijfers

Hier een mooie visuele weergave van de laatste cijfers over zzp’ers:

ScreenShot123Belangrijkste constatering is dat het aantal zzp’ers de laatste jaren toeneemt. Is dat erg? Is dat vreemd? De discussie gaat met name om:

  • Een groot deel van de (nieuwe) zzp’ers is dat niet vrijwillig geworden. Het ‘systeem’ dwingt min of meer af dat ze een vast dienstverband moeten verlaten en dat er geen andere uitweg is dan maar te ‘kiezen’ voor een economisch zelfstandig bestaan als mini-ondernemer.
  • Een (steeds groter) deel van die groeiende groep zelfstandigen leeft op een ‘schamel’ inkomen en kan ternauwernood fatsoenlijk rondkomen. Of anders gesteld: er ontstaat een nieuwe en grotendeels verborgen ‘armoede’ door de (door het systeem uitgelokte of afgedwongen) groeiende groep zzp’ers.
  • Maar dat is nog niet het hele verhaal. De ‘arme tak’ van de zzp’ers heeft niet of nauwelijks onderhandelingsmacht en dat resulteert in lage tarieven (vandaar de nieuwe armoede). Hierdoor is er geen geld om verzekerd te zijn voor arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid. De overheid ontvangt vanuit deze groep dus ook minder belastinginkomsten terwijl in geval van problemen er wel aanspraak kan worden gemaakt op het sociale vangnet. Er dreigt zo op termijn een uitholling van ons sociale stelsel.
  • Ondertussen, zo wordt in het artikel gesteld, zijn het vooral de werkgevers die van deze trend profiteren.

ScreenShot124Er zijn voldoende nuances bij deze aantekeningen te plaatsen:

  • Hoe groot is de groep zzp’ers die niet geheel vrijwillig voor deze status heeft gekozen? Welk deel van de totale groep zzp’ers van 1,35 mln leeft in armoede en is niet in staat zich te verzekeren en belasting te betalen? Dat is niet zo makkelijk te achterhalen.
  • Een flink deel van de zzp’ers doen er klussen bij en/of genieten pensioen (ruim 1/3 van het totale aantal zzp’ers).
  • Een deel van de zzp’ers heeft wellicht de beschikking over een buffer (bijvoorbeeld uit een langdurig eerder vast dienstverband) en vindt het prima om aan de gang te blijven zonder de hoofdprijs te vragen (geen cijfers van bekend).
  • Alles afwegend lijkt het er toch op dat zo’n 15-25% van het totaal aantal zzp’ers te weinig inkomsten genereert om belasting etc te kunnen afdragen (waarbij geen sprake is van andere inkomsten en/of opgebouwd vermogen). (( Ik hoor dat veel zzp’ers zich niet in het verhaal van Hofs herkennen. Dat kan een aantal verklaringen hebben: 1) ze horen niet tot de arme tak, maar tot de succesvolle tak die wél genoeg verdient en/of in volle overtuiging voor deze vorm van ondernemen heeft gekozen (vanuit de cijfers: de meerderheid van de zzp’ers dus), 2) vanwege de mythe van de vrije ondernemer en de bijbehorende blikvernauwing, 3) de analyse van Hofs slaat de plank mis, het zit anders, 4) nog een andere reden die ik zo snel niet kan bedenken. ))

Ik wil me hier niet te veel op de cijfers en de precieze definities werpen (is een aandeel van zeg 25% voldoende om ons sociale stelsel onder druk te zetten? welk deel is vrijwillig en welk deel min of meer gedwongen? welk deel van ‘gedwongen’ zou zonder zzp’schap misschien sowieso aanspraak hebben gemaakt datzelfde sociale stelsel?).

Duidelijk is dat er iets aan de hand is. En dat er sprake is van een boeiende dynamiek. Ik wil het artikel van Yvonne Hofs ‘hervertellen’ in een aantal systeemdiagrammen. Een artikel in woorden is lineair en vlak en laat (vind ik althans) minder makkelijk en minder snel zien waar het om draait. Ik zeg er nog maar eens bij dat zo’n hervertelling niet per se impliceert dat ik het in alle opzichten met Hofs eens ben. Het artikel zelf is (in mijn ogen) niet puur informatief, er is duidelijk sprake van een stellingname (ik zou zeggen dat het verteld is vanuit het perspectief van de gedupeerde zzp’er). Mij maakt dat overigens niet uit: ik vind het een krachtig artikel dat mij aan het denken zet, anders had ik er deze blog niet over geschreven.

Een andere nuancering is dat de systeemdiagrammen hieronder in wezen een economisch model beschrijven. Een model is per definitie een vergaande abstractie van de werkelijkheid. Het accentueert bepaalde zaken en laat andere zaken bewust buiten beschouwing. Zo’n model is dus per definitie niet ‘waar’ (of ‘onwaar’). Mijn enige criterium voor zo’n model-weergave is of het iets toevoegt of iets interessants oplevert (om te beginnen voor mezelf).

De overheid

ScreenShot128De overheid wil graag wegen aanleggen en bruggen bouwen (ik zei al: het is een stilering van de werkelijkheid ..). Daar heb je geld (belastingen) voor nodig. Belastingen kun je pas heffen als er sprake is van inkomsten of van winst. Inkomsten komen voornamelijk van (betaald) werk. Dus hoe krijgen we meer belasting binnen? Zo rond 1975 is de redenering geweest dat je meer geld krijgt als je meer werkgelegenheid creëert. En meer werkgelegenheid krijg je als er meer (of grotere) ondernemingen zijn. Hoe zorgen we voor meer ondernemingen? Door de start van de onderneming fiscaal te stimuleren. Bijvoorbeeld, in dit geval, door iemand die voor zichzelf begint een ‘starterskorting’ of ‘zelfstandigenaftrek’ te geven. Klinkt best logisch. Nu maar hopen dat die starters gaan groeien en dat die weer mensen in dienst gaan nemen ….

De zzp’er of nieuwe zelfstandige

Hoe pakt dat uit bij die nieuwe starter? Er moet vooraf een sluimerend idee zijn als ‘ik wil graag zelfstandig zijn’ of ‘ik ben aan mijn vrijheid gehecht’ of ‘ik wil graag ondernemen’. Dan komt daar ineens die overheid die je een handje wil helpen. In feite is hier sprake van een nieuwe ‘pull-factor’: de overheid stimuleert jou (trekt aan jou) om zelfstandig te worden. Hé, hier krijg ik een fiscaal voordeel, nu kan ik (eindelijk) zelfstandig worden. Vervolgens blijkt (in deze tijden, economische crisis) dat jij niet de enige bent die zelfstandig is geworden. Bovendien ben je niet georganiseerd. Je hebt weinig macht en hebt maar te pikken wat je eventuele opdrachtgever voor je beschikbaar heeft (‘voor jou tien anderen’, je bent niet uniek genoeg).

ScreenShot129Tja, in zo’n situatie van te veel aanbod (van arbeid) dalen de prijzen en in dit geval dus de tarieven. Dat betekent dat je als zzp’er nauwelijks je hoofd boven water kunt houden. Je redt het omdat er sprake is van een fiscaal vriendelijke behandeling. Hoe dan ook ben je niet verzekerd. Misschien heb je geen geld om je te verzekeren, misschien houd je niet van verzekeren (je was immers die stoere ondernemer die ging voor vrijheid en risico) of misschien denk je wel: als het echt fout gaat, klopt ik bij de overheid aan. In het laatste geval is sprake van een perverse prikkel. In het voorlaatste geval (ik houd van risico) is wellicht sprake van het koesteren van de mythe van de zelfstandige ondernemer (zie eerdere blogs).

Hoe dan ook: de overheid slaagt er zo in meer zelfstandige ondernemers te kweken maar die zijn effectief niet in staat te zorgen voor meer belastinginkomsten. Integendeel zelfs: eerst moest er subsidie worden gegeven en nu is er een nieuwe mogelijke aanspraak op een deel van de sociale pot (uitkering).

De loonslaaf

Er is niet alleen een wisselwerking tussen overheid en nieuwe zelfstandige ondernemer. Er is ook een wisselwerking tussen de (oude) vaste werknemer die in dienst is en de (nieuwe) zzp’er. Ik noem hem hier (het artikel volgend) maar ‘de loonslaaf’. De loonslaaf die kiest voor vastigheid en een vaste baan. Die staat garant voor een automatische afdracht van premies en inkomstenbelasting. Verzekering is verplicht immers als je in vaste dienst bent. Dat betekent echter ook dat je (in deze nieuwe situatie van een groeiende groep zzp’ers die aan de poorten rammelen) dat je relatief duur bent. Niet vreemd dat je baas denkt: als die zzp’er goedkoper is en hetzelfde kan, dan wil ik van die vaste werknemer af.

ScreenShot130Nu ontstaat er dus een nieuwe beweging richting het zelfstandig ondernemerschap. Vaste werknemers worden ontslagen en sommige daarvan zullen ‘gewoon’ werkloos blijven (maar wel een uitkering aanvragen). Maar gezien de fiscale tegemoetkoming is het wellicht ook interessant je bij die nieuwe groep zzp’ers aan te sluiten. Min of meer zou je ook kunnen denken: ik moet wel zzp’er worden. De dynamiek hier is dat vaste medewerkers (duur) worden verdrongen door zzp’ers (goedkoop, geen verplichtingen, flexibel). En dat voorheen vaste medewerkers transformeren in gedwongen zzp’er.

De werkgever

Dan hebben we, om het plaatje compleet te maken, nog de werkgever nodig. Dat is natuurlijk bekende kost. Voor een werkgever draait het (in dit model) om de winst. Een vaste werknemer had ooit duidelijke voordelen (veel uren tegen vooraf bepaalde relatief lage prijs afnemen in ruil voor zekerheid) maar zijn er betere opties voorhanden op de markt. Een zzp inhuren betekent veel minder risico want geen werk betekent geen uitbetaling. Ziek? Niet mijn probleem als werkgever. Als de zzp’er verder dezelfde kwaliteit werk biedt dan is de keuze snel gemaakt. Ik bouw mijn vaste voorraad af (ontslaan, afscheid nemen, ‘letting go’ zoals Amerikanen dat mooi zeggen) en breng een steeds grotere flexibele schil aan. Mijn winst gaat omhoog, het risico wordt verlegd van werkgever naar zzp’er, de hap van de werkgever in de totale koek ’toegevoegde waarde’ wordt groter.

ScreenShot131Yvonne Hofs gaat in haar verhaal nog een stap verder. Het lijkt bijna een complot van werkgevers die er belang bij hebben dat deze situatie zo blijft. Het taalgebruik moet verhullend zijn en de mythe van de vrije ondernemer (versus de duffe loonslaaf) moet gekoesterd worden. Het systeem wordt nog weer een slag robuuster als de vrije ondernemer eerst stoer roept dat hij flexibel is en graag risico neemt om daarna uit pure schaamte zijn mond te houden bij tegenvallende resultaten. Het lijkt op de zwerver in Amerika die vanuit de benarde positie in de goot waarin hij ligt zich verontschuldigt voor zijn fouten en het feit dat hij onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de kansen die de vrije markt hem heeft geboden. Eigenlijk is deze zwerver al blij dat hij geen boete krijgt voor het feit dat hij in de weg ligt en anderen lastig valt met zijn stank.

Het totale systeem

We kunnen de losse ingrediënten nu bij elkaar zetten. We voegen nog wat versterkende koppelingen toe, en krijgen dan:

 

dynamiek-zzp

Het begint allemaal bij die fiscale voordelen. Op zich goed bedoeld en misschien heeft het jarenlang wél gewerkt. Maar nu bijt het de maatschappij in de eigen staart. Er ontstaat een nieuwe groep ‘armen’ die niet bijdragen aan de belastinginkomsten. En sterker nog: in toenemende mate wél aanspraak maken op die voorzieningen die betaald worden door de kleiner wordende groep ‘loonslaven’. Hierdoor wordt de premiedruk nóg hoger voor de vaste medewerker, het voordeel om een zzp’er in te huren nóg groter, en er ontstaat een explosieve toestand. Het mooie van een systeemoverzicht is dat je laat zien dat ieder voor zich logisch handelt (de werkgever wil meer winst (snap ik), de zzp’er wil meer vrijheid (snap ik), de ‘loonslaaf’ wil vastigheid (snap ik)) maar dat de onderlinge afhankelijkheden een uitkomst genereren waar niemand om heeft gevraagd. Op de werkgever na misschien, die is de lachende derde (maar voor zolang het duurt).

Oplossingen? Er wordt nu geroepen dat de zzp’ers dan maar een minimale vergoeding moeten krijgen (bij wet) zodat verdringing niet meer loont. Ach, als arbeid over de hele linie te duur wordt dan vertrek je toch gewoon naar het buitenland als bedrijf? Dan gooien we de grenzen dicht! Afijn, elke maatregel roept weer een tegenactie op en leidt tot nieuwe ongewenste effecten.

Geen oplossing, maar enkele overwegingen tot slot:

  • Het zijn basale economische wetten die hier aan het werk zijn. Blijkbaar is arbeid (althans een deel daarvan) relatief duur en kan elders meer winst worden gemaakt. Dan zijn wij als aanbieders van arbeid dus te weinig onderscheidend (voor de prijs) en als land zijn we dan niet in staat spullen te maken (met onze mensen) die een voldoende hoge prijs ‘doen’ op de wereldmarkten. We zijn gewend aan een luxe die hoort bij de unieke periode van innovaties en hard werken van 1950 tot ergens 1990? Die tijd is voorbij maar we willen er niet aan dat dat consequenties heeft. Oftewel: de zzp-discussie is een afgeleide van een ander nog veel hardnekkiger probleem.
  • Natuurlijk is dat erg kort door de bocht. Wij hebben met elkaar immers een aantal afspraken gemaakt die geld kosten. Als je elders je arbeid inhuurt dan hoef je je niet aan allerlei afspraken te houden, dus dat is appels met peren vergelijken. Klopt. Maar het water stroomt toch altijd naar het laagste punt.
  • Met name werkgevers zijn er goed in dat laagste punt te zoeken. Vaak roemen we de ondernemers juist om die zoek-kwaliteiten (mythe: dat levert innovatieve producten op, dat zorgt voor meer werkgelegenheid). Maar zolang wij als consumenten verliefd blijven op de goedkoopste producten (zonder te kijken naar hoe en waar het is gemaakt), en als loonslaven gaan voor de hoogste beloning (los van wat voor producten je werkgever maakt), zal het systeem nieuwe onverwachte uitkomsten blijven genereren.

Rudy van Stratum

Succesvollere projecten? Meer controle over je budget? Tips uit de praktijk.

Aanleiding voor deze blog is a) een leuk artikel dat ik enkele weken geleden zag in de NY-times, b) een presentatie die we (Stijn en ik) vorige week mochten geven op het Flexival in Amsterdam.

Meer controle over je geld

Om met het artikel (in de geest van een soort ‘eindejaarsartikel’) te beginnen (link naar artikel ny-times) : de auteur vraagt zich af hoe moeilijk het kan zijn om meer controle te krijgen over je geld of je budget? Er zijn de afgelopen jaren tientallen boeken verschenen met ronkende titels in de trant van ‘In zoveel stappen geld besparen’, ‘Persoonlijke financiën hoeft niet moeilijk te zijn’, afijn allemaal met de boodschap ‘how to get rich’ (of minder ‘poor’) en/of ‘being happy with less’.

Die boeken worden goed verkocht en dus waarschijnlijk veel gelezen. En, zoals gezegd, het is allemaal best eenvoudig, het is zoals de Amerikanen zo mooi zeggen geen ‘rocket-science’. En toch, zo constateert de auteur van het artikel, waarom gaat het in de praktijk dan zo vaak mis? Waarom blijven er dan maar steeds nieuwe boeken verschijnen die in essentie steeds dezelfde boodschap en dezelfde stappenplannen verkondigen? Zo komt ie op het idee om enkele auteurs van die succes-boeken over geld-besparen te vragen naar:

  • Waarom gaat het zo vaak mis? Waarom is het toch moeilijk om geld te besparen?
  • Hoe doe je het nu zelf eigenlijk? Als expert zeg maar.

Hij vraagt de auteurs om hun beste tips (en verklaringen) handgeschreven op een briefje te zetten (een ‘index-card’). Hier een voorbeeld (uit het artikel) van zo’n handgeschreven briefje dat een van de boekenschrijvers instuurde:

 

succesvolle projecten - 1

 

Tja, het is natuurlijk wel een meta-onderzoek. Iemand die een boek met tips schrijft over geld besparen vragen naar de beste tips? Maar ik was meteen getriggerd door deze aanpak:

  • Hij heeft een hele serie schrijvers (experts in de budgetkunde) gevraagd dit te doen. Dat geeft een nieuwe dimensie: is er sprake van een patroon?
  • Er zit een boeiende paradox in de vraagstelling: iets is in wezen heel simpel en toch is het (in de praktijk) zo moeilijk. Hoe kan dat nou?

Wat ik gedaan heb is alle kaartjes bekeken en er een mindmap van gemaakt. Let dus goed op: de beste boeken op het gebied van tips om geld te besparen, daar dan de beste tips uit en die weer bij elkaar gezet van meerdere succesvolle auteurs! En dat dan weer in een mindmap. Beter dan dit gaat het niet worden ….. (this is as good as it gets). Hier komt ie dan:

De mindmap geld besparen

succesvolle projecten - 2

 

Waarom lukt het volgens de auteurs van de boeken in de praktijk zo moeilijk? Dat is vooral door de voortdurende verleidingen om ons heen, elke dag worden we weer bloot gesteld aan al die mooie nieuwe producten die roepen ‘koop ons’. We kunnen de verleiding niet weerstaan, we hebben met andere woorden een gebrek aan zelfdiscipline. Een andere belangrijke reden is dat we te weinig vooruit plannen en/of onvoldoende gebruik maken van ‘ingebouwde verplichtingen’ of automatismen. Als we ons voornemen om elke maand een bedrag apart te zetten en we doet dat door aan het eind van de maand te kijken wat we over hebben houden, dan gaat dat (blijkbaar) niet goed. Op het moment dat we dit gaan automatiseren (elke maand een vast bedrag van je lopende rekening naar je spaarrekening) dan hebben we geen echte keuze meer. Dan moeten we het gewoon doen met het geld dat we daarna nog wél tot onze beschikking hebben.

Uiteindelijk gaat het nog dieper. Het zit niet (alleen) in de techniek dat je meer geld overhoudt (en een makkelijker leven kan leiden zonder schulden) maar het zit (ook) in de psychologie, in je hoofd, in je overtuigingen. In de mindmap zien we dat ook terug komen. Voortdurend nadenken over wat je écht nodig hebt (en wat vooral dus niet), je niet gek laten maken door je omgeving, je realiseren dat veel goederen je niet gelukkig maken (of maar eventjes). En de (weinige) spullen die je dan wél koopt, daar dan heel lang mee doen. Het geld dat je dan overhoudt dat boek je elke maand automatisch over naar je spaarrekening.

Ik haal er twee belangrijke overtuigingen uit (die ook wel wat Amerikaans zijn) die het grote verschil maken:

  • Fall in love with savings (verliefd worden op sparen).
  • Hate debts (een bloedhekel krijgen aan schulden)

Oh, wat zou je hier mooie oefeningen mee kunnen maken!

Ook in Nederland is dit patroon van handelen en denken in een aantal boeken terecht gekomen. Denk bijvoorbeeld aan de boeken van Gerhard Hormann (o.a. Hypotheekvrij!) die laten zien hoe je met zuiniger leven in een beperkt aantal jaren van je ellendige hypotheek kan afkomen. Daarna heb je de beschikking over een basisinkomen van € 1.000 in de maand omdat je geen geld meer kwijt bent aan wonen (ja, je hebt nog je gas, water, licht, ozb etc maar het scheelt enorm). De ’twist’ in de boeken van Hormann is dat het niet (alleen) gaat over jarenlang afzien in armoede, maar dat het juist tot nieuwe inzichten en nieuw genot leidt. ‘Meer doen met minder’, dat wordt een levensmotto dat verrijkt en verruimd (not unlike ‘slimme financiering’ wat mij betreft).

De moraal is: het is eigenlijk heel makkelijk (uit te leggen) maar oh zo moeilijk om voor elkaar te krijgen. We hebben daar eerder over geschreven als het gaat over ‘afvallen’ of ‘diëten’. Iedereen weet hoe je de gewenste staat van ‘minder dik’ kunt bereiken: minder eten en meer bewegen. Dat je daar dan toch steeds weer een nieuw boekje over kunt schrijven? Ook hier geldt dat het moeilijk is omdat we de voortdurende verleiding niet kunnen weerstaan. En dat heeft weer te maken met de dieperliggende ontbrekende overtuigingen (‘you have to hate fat food’, ‘fall in love with sla’ of zoiets) en/of het gebrek aan automatismen (geen chips in huis, geen auto voor de deur etc).

En ook onze eigen ‘slimme financiering’ (hoe krijg je een project voor elkaar als er even te weinig middelen voorhanden zijn?) is in wezen simpel uit te leggen en in de praktijk zo moeilijk voor elkaar te krijgen. ‘Slimme financiering’ is in de kern: minder uitgeven en meer verdienen (zie deze mindmap van alweer wat jaartjes geleden). Ja zo flauw is het (maar daarom niet minder waar). In de praktijk is het zo moeilijk omdat we vol zitten met dieperliggende overtuigingen die in de weg zitten (het moet ‘mooi’ worden, een ‘statement’ zijn, vasthouden aan een te duur plan, niet kijken naar goedkopere alternatieven etc, ‘you have to fall in love with cheap solutions’, ‘you have to get an eye to see what others benefit from it’) en/of een gebrek hebben aan automatismen (tegendenken niet organiseren, napraten wat anderen zeggen). Dat is de reden dat we al vrij snel meer aandacht hebben gevraagd voor de zogenaamde ‘denkfouten’ literatuur.

Mutual Gains Approach en het Flexival

En dan eindelijk naar de tweede aanleiding voor deze blog: onze aanwezigheid op het Flexival dat vorige week plaats vond in Amsterdam. Op het jaarlijkse Flexival komen ruim 50 professionals bij elkaar uit de wereld van ondergronds ruimtegebruik. Deze professionals zijn vaak werkzaam voor ministeries, provincies, gemeentes, Rijkswaterstaat, projectontwikkelaars, architectenbureau etc. De vraag aan ons wat de aanpak die bekend staat onder ‘Mutual Gains Approach’ (a.k.a. MGA) kan betekenen voor de praktijk van (de projecten of processen rondom) ondergronds ruimtegebruik.

De inhoud van de MGA-aanpak valt buiten het bestek van deze blog, wellicht kunnen we daar in de toekomst een aparte serie blogs aan wijden. Het artikel uit de NY-times over het beheren van je budget bracht ons op het idee om de deelnemers van onze workshop te vragen naar hún tips en die op te schrijven. Centrale vraag: welke tips geef jij een jonge startende collega mee om een project succesvoller te laten verlopen? Deze vraag stelden we helemaal vooraan dus zonder dat we nog iets over onze ervaringen (met slimme financiering, met MGA) hadden verteld. Ons vermoeden vooraf was dat wederom zou gelden:

  • Er zal vrij snel een patroon zichtbaar worden in de tips die we van de deelnemers krijgen.
  • In wezen is het allemaal niet zo moeilijk om een succesvol project te realiseren. Dat is snel uit te leggen. Geen ‘rocket-science’ dus.
  • Maar ondertussen is het oh zo moeilijk in de praktijk en gaat het te vaak mis.

Het laatste punt hebben we niet gevraagd en is wellicht iets voor een later experiment. De eerste twee punten kwamen aardig uit. Hieronder zie je enkele ingevulde post-its van de deelnemers met hun tips ‘wat te doen om je project beter te laten slagen’:

 

succesvolle projecten - 3

 

En wederom heb ik alle briefjes op een rijtje gelegd en ben op zoek gegaan naar het patroon in de tips. Ik kom tot de volgende mindmap ‘meer succes met je project’:

 

succesvolle projecten - 4Wat valt op bij succesvolle projecten?

De tientallen tips konden vrij makkelijk worden geclusterd. Er ontstaat een driedeling (( Het maken van een mindmap is uiteindelijk een subjectieve keuze. Ik sluit niet uit dat iemand anders met dezelfde input tot een andere indeling komt. )) :

  • Techniek
  • Jouw persoonlijke rol als projectleider
  • De rol van anderen in het project

De techniek is helder. Je moet een plan van aanpak maken, dingen op papier zetten, je tijd managen en prioriteiten stellen. Dit is als het ware de ‘bovenstroom’, wat je objectief moet doen. Hier zijn honderden boeken over geschreven en vele stappenplannen beschikbaar. Allemaal logisch en geen rocket-science. Het equivalent van ‘minder-eten-meer-bewegen’ van het afvallen. Maar als het allemaal zo simpel zou zijn …. Daarom gaan de andere twee takken van de mindmap over de meer (inter-) subjectieve en persoonlijke kanten van het project. De ‘onderstroom’ van je project als het ware. Wat ik hier vooral uit haal is dat je goed moet luisteren en je kwetsbaar moet opstellen (verwachtingen uitspreken, risico’s bespreken). Met name het (gebrek aan) persoonlijk contact wordt als faalfactor genoemd: te veel gaat de communicatie via e-mails en schriftelijke stukken. Voor onze bespreking van het nut van MGA was het mooi dat in deze groep spontaan naar voren kwam dat een groot deel van het succes zit in het maken van allianties (wat in MGA-speak ‘het vergroten van de koek’ wordt genoemd). Hier haal ik met name uit dat de blik naar buiten moet, dus vragen hoe anderen het doen en ruimte maken voor andere geluiden (kritiek, 2nd opinion, andere disciplines, zie ook: onder ’tegendenken’).

Nou lijkt het of we een stap verder zijn …. Is dat ook zo?

We hebben nu een tweede laag ontdekt: behalve de techniek (schrijven van plannen) is er de onderstroom (luisteren, allianties etc). Zo dat is dan opgelost, dan gaan we het voortaan zo doen!

Helaas, ook hier geldt weer: simpel stappenplan, moeilijk om uit te voeren. It’s not the strategy (that matters) but the execution of the strategy (that matters). Geen idee van wie die uitspraak komt overigens. Uiteindelijk telt dan toch de ervaring, het vele malen doen, het leren van je eigen fouten, tussen de regels door kunnen lezen en wat niet al. Het zou zo maar kunnen zijn dat ‘in the end’ deze waarheid niet te codificeren valt in stappenplannen en manuals. Ik weet het niet en sluit het ook niet helemaal uit overigens. Het doet me in ieder geval denken aan een boek dat ik vele jaren geleden las van Malcolm Gladwell ‘Uitblinkers’. Echt goed in iets word je niet zomaar door een stappenplan te volgen. Zelfs het grootste genie met alle talenten in huis moet 10.000 uur oefenen en fouten maken om naar buiten het grote succes uit te stralen. (( Overigens bedenk ik me nu dat ik weer te veel nadruk leg op het behalen van succes. Dat is weer een denkfout. Je kunt prima en jarenlang functioneren zonder dat je ook maar in de verste verte het succes van de Beatles bereikt. Genoegen nemen met een tandje minder kan heel vruchtbaar werken. Toch een beetje de kern van de ‘meer doen met minder’ aanpak. )) Zelfs de Beatles hebben voordat ze doorbraken die 10.000 uur op de teller gemaakt door avond aan avond in de Hamburgse bierkellers op te treden. (( Overigens was ik in de gelukkige omstandigheid om onlangs een live-optreden van ‘The analogues’ mee te mogen maken. Een integrale uitvoering van de ‘Magical mystery tour’ van de Beatles. Een optreden dat door de Beatles zelf nooit is gedaan, het gaat om een gemixed studio-album dat nooit live te horen is geweest. Een kopie van een origineel dat er nooit is geweest dus …. Ook hier durf ik wel de weddenschap aan dat de leden van ‘The analogues’ hun uren op de teller hebben. Een geweldige ervaring, dank daarvoor! ))

Rudy van Stratum

Met dank aan de deelnemers van onze workshop van vorige week (en dank aan Henk Werksma voor de organisatie en voor de uitnodiging op te mogen treden).

De volgende crisis: update Radar college (MMM10)

Na de uitzending(en) van Radar Extra in december 2015 (zie mijn eerdere blogs deel 1 (mindmap) en deel 2 (dynamiek)) ging de discussie enkele weken later gewoon door. Op 14 januari 2016 was er een debat met lezingen onder de naam ‘Radar college’. Sprekers waren o.a. Dirk Bezemer en Klaas van Egmond, beiden ook te zien in de betreffende uitzending van 28 december. Het debat (ongeveer 2 uur lezingen met discussie) is integraal opgenomen en via deze link te zien.

Radar Extra college: wat voegt het toe?

Als ik met name de twee lezingen van Bezemer en Van Egmond naast de inhoud van de uitzending leg, dan vallen me een paar dingen op:

  • In de tv-uitzending ligt het accent vooral op de rol van de banken. Misschien wordt het niet letterlijk gezegd maar de banken zijn toch meer de boosdoeners (voor het uitblijven van structurele veranderingen ná de crisis) dan ‘de rest’.
  • In het ‘college’ wordt een ander accent gelegd. De crisis zit veel dieper en iedereen is medeschuldig. De crisis is een systeemcrisis waar we samen in verzeild zijn geraakt.
  • De oorzaak van het ontstaan van de crisis (en het uitblijven van een structurele oplossing) wordt in beide lezingen gelegd bij onze (veranderde) normen en waarden. Onze economische crisis is met andere woorden (ook) een culturele crisis. We waarderen het publieke domein minder of anders dan enkele decennia geleden. Ik licht dat hieronder nog kort toe.
  • Omdat het om een systeemcrisis gaat krijgt de situatie waarin we nu verkeren soms ook iets onvermijdelijks. Het zat er gewoon aan te komen, je doet er weinig aan, het zit in de lucht etc.
  • De stoerheid van een ideale oplossing gaat er dus ook vanaf. Nog duidelijker wordt daarmee gesteld dat meer regels en meer toezicht niet bijdragen aan de oplossing. Sterker nog (hier is Van Egmond veel explicieter dan Bezemer): regels maken de situatie nog complexer en ondoorzichtiger. De oplossing ligt dus in een systeemverandering (Van Egmond, herwaardering publieke waarden, opnieuw opeisen publieke domein) en/of in een debat waarin nieuwe vragen worden gesteld (Bezemer).

Cultuurcrisis?

Laat ik (in mijn woorden) de verandering in onze normen en waarden volgens de twee lezingen proberen samen te vatten. Zie het volgende diagram:

wijzijn-ikhebVan Egmond illustreert zijn betoog met (mijn versie van) dit plaatje. Er zijn twee assen: de wij-ik as en de zijn-hebben as. Wij staat voor het publieke domein, ik voor het private domein. Zijn staat voor waarde en zingeving, hebben voor bezit en voor spullen (materie, ‘stuff’). De laatste decennia ligt het accent (in onze Westerse maatschappij) steeds meer op het individu (ik) en op spullen (hebben). De ik-phone en de ik-pad zijn metaforen voor deze ontwikkeling. In een plaatje:

wijzijn-ikheb02Volgens Van Egmond zijn we in zekere zin ‘fundamentalistisch’ geworden: er is maar één waarheid en dat is die van meer spullen (hebben) en meer marktwerking (eigen verantwoordelijkheid, meer ik dan wij). Het publieke domein (wij en waarden) wordt kleiner en geleidelijk verschoven naar marktwerking en private verantwoordelijkheid (winst en ondernemerschap). Van Egmond stelt: we hebben het doel en de middelen zo’n beetje omgedraaid.

Eigenlijk zou het moeten gaan om je doel (wat je wilt bereiken, wat belangrijk is) en daarvoor heb je nu eenmaal ‘economie’ nodig (spullen maken, fabrieken, kantoren) en daarvoor heb je nu eenmaal geld nodig (om af te rekenen, je boekhouding op orde te brengen):

ScreenShot108

Het geld en de economie zijn in zo’n geval dienstig aan je doelen. Maar inmiddels zijn de zaken omgedraaid en staat het geld bovenaan. Wat je wilt bereiken is als het ware een afgeleide van het doel, namelijk zo veel mogelijk geld vergaren. Het geld is geen middel meer maar doel geworden. Bezemer zegt in zijn woorden eigenlijk hetzelfde, hij spreekt van ‘financialisering’ van onze samenleving. Financialisering (aka ‘economisering’?) houdt volgens hem in dat onze beslissingen steeds meer gestuurd worden door financiële overwegingen. Een paar voorbeelden:

  • Een huis kopen. Eigenlijk zou je je moeten afvragen in welk huis je graag zou willen wonen (wat is je doel, wat is van waarde). Vervolgens ga je dat huis zoeken en kijk je of het in je budget past. Maar de afgelopen decennia ging het omgekeerd. Je onderzocht hoeveel geld je kon lenen op basis van je inkomen en de bestaande hypotheekrente-aftrek. En op basis van dat bedrag zocht je een huis. Iedereen die dat niet deed was immers ‘een dief van zijn eigen portemonnee’.
  • De studiekeuze. Eigenlijk zou je je moeten afvragen welke talenten je hebt (wat je kunt, wat je leuk vindt) en dan op zoek gaan naar de studie die het meest aansluit. Maar (aldus het voorbeeld) het gaat nu meestal andersom. Waar kan ik veel geld mee verdienen, waar is mijn studieschuld het laagst? Dan kies ik die studie.

Een variant

We kunnen datzelfde verhaal ook in een wat ander plaatje zetten:

publiekvsprivaatOp de ene as staat publiek versus privaat (wat we hiervoor wij versus ik noemden). Op de andere as staat waarde versus geld (wat we hiervoor zijn en hebben noemden). Hoe het ‘eigenlijk’ zou moeten werken is dat dat wat van waarde is het doel is en dat het geld het middel is om die doelen te realiseren. Een privaat doel is bijvoorbeeld: ik wil een gezond leven. Een publiek doel is bijvoorbeeld: wij willen als samenleving genieten van goed onderwijs en van natuur. Om als persoon (privaat) dat doel te bereiken heb je spullen en winst nodig. Om als samenleving goed onderwijs te kunnen bieden heb je geld nodig  en dat kun je bijvoorbeeld goedkoop voor elkaar krijgen door je land in te richten als belastingparadijs voor multinationals ( … huh?).

De beweging die we (nogmaals: volgens de sprekers) de laatste decennia hebben doorgemaakt in termen van dit diagram is dan:

publiekvsprivaat02De rode pijl zou je kunnen zien als de ‘financialisering’. De publieke waarde wordt door het private geld overgenomen. Ik heb als (willekeurig) voorbeeld genomen de discussie over de onbetaalbaarheid van onze natuur. De natuur en het onderhoud daarvan kost geld en dat hebben we er in het publieke domein niet (meer) voor over. Minder wij en meer ik betekent dan dat je de ondernemer inschakelt om dat probleem op te lossen. De vraag wordt dan: hoe kun je met natuur geld verdienen. We hebben hier eerder en vaker over geschreven, zie bijvoorbeeld de blog van Stijn over de ondernemende schaapsherder.

De titel van ons eerste boek was niet voor niets ‘Geld is een middel’ … (overigens gratis te downloaden).

Rudy van Stratum

Dynamiek van de (volgende) crisis (MMM09)

In de vorige blog gaf ik een samenvatting van de eindejaarsuitzending van RadarExtra. In die uitzending werd een reconstructie gegeven van waar we nu staan na de crisis van 2008. De sombere conclusie luidde dat er wezenlijk niet veel is veranderd om een herhaling van de crisis te voorkomen. Een van de verklaringen (uit mijn blog) voor het uitblijven van een wezenlijke verandering zijn de succesvolle pogingen van banken om veranderingen die ten koste gaan van hun winst zo veel mogelijk tegen te houden.

Enkele blogs daarvoor gaf Guus Hustinx een analyse van Shell die volgens hem te lang heeft vast gehouden aan oude technologie en oud denken. Shell wordt nu door de buitenwereld (met name beleggers en regelgeving) ‘op de knieën’ gedwongen.

Los van of beide analyses (die van de crisis en die van Shell) waar zijn: er dringt zich een interessante vergelijking op. Het lijkt er op dat banken er wél in slagen hun oude gedrag te continueren waar Shell tot een correctie wordt gedwongen. Hoe kan dat? Wat kunnen de banken wat Shell niet kan?

Dynamiek Shell

Ik kan die vraag nog niet beantwoorden.

Het verhaal van Shell bevat behalve een woordelijke verklaring van wat er bij Shell aan de hand is, ook een getekende dynamiek. Misschien moet ik als tussenstap ook een gevisualiseerde dynamiek maken van wat er in de nadagen van de crisis is gebeurd (nogmaals, volgens de eindejaarsuitzending).

De verklaring van Guus is dat Shell last heeft van ‘oud denken’. Oud denken is in zijn ogen een eenzijdige focus op het maximaliseren van het belang van de aandeelhouders. Dat betekent dat alles draait om de (korte termijn) winst. Voor de bestuurders van Shell ligt een beloning te wachten als zij slagen in het realiseren van een maximale aandeelhouderswaarde. Die beloning  bestaat uit hoge(re) salarissen en gekoppelde bonussen. Veel bonus betekent dus dat er ook veel aandeelhouderswaarde is. Hier is dus sprake van een bevestiging (van het ‘oude denken’) en in systeemtermen is hier sprake van een meekoppeling. De focus op aandeelhouderswaarde leidt via meer bonussen tot een bekrachtiging van het oude denken:guus01

Blijkbaar is er de laatste (5-10?) jaren sprake van een nieuwe realiteit. Met name is er een druk bij professionele beleggers om niet langer te investeren/beleggen in ‘oude energie’. Er zal sprake zijn van steeds meer regelgeving (moeilijker om oude energie te winnen) en ook is sprake van innovaties die alternatieve energie goedkoper maken. Die nieuwe realiteit leidt tot een sterke daling van de waarde van de oude voorraden olie (die vermoedelijk deels in de grond blijven zitten) en dus tot een sterke daling van de waarde van de aandelen. Aandeelhouders not happy! Maar omdat het oude denken van de Shell-top niet snel genoeg mee verandert komt Shell terecht in een negatieve spiraal. Guus visualiseerde dat inzicht als volgt:

guus02Mijn constatering is overigens dat deze redenering niet aantoont dat er iets mis is met het ‘oude denken’ van de Shell topmannen. Ze kunnen vrolijk doorgaan met het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde immers. Ze hebben alleen te laat gereageerd op de gewijzigde omstandigheden. Ze hebben er juist niet alles aan gedaan om het de aandeelhouders naar de zin te maken. Ze hebben onderweg een afslag gemist. Je zou ook kunnen zeggen dat de opkomende groene energieleveranciers net even beter de belangen van hún aandeelhouders hebben weten te behartigen. ((Wellicht is er bij Shell aan de hand wat er volgens Jeroen Smit’s ‘De prooi’ ook bij ABN Amro speelde. Focus op de eigen beperkte kring, arrogantie, blindheid, tunnelvisie. Overigens wil ik hier zeker niet het omgekeerde beweren, namelijk dat maximale focus op aandeelhouderswaarde geweldig is.))

Wereldmodellen

Nu dan terug naar de post-crisis situatie. Hoe ziet de dynamiek er daar uit?

Net zoals Guus niet in de hoofden van de Shell-directie kan kijken, kan ik niet weten wat een bankier denkt. Ook ik moet het dus doen met wat ik zoal lees, in de uitzending heb gezien en gehoord en wat ik beluister in mijn netwerk die ook de nodige bankiers telt. Het wereldmodel van een bankier in de post-crisis situatie zou speculatief de volgende elementen kunnen bevatten:

  • De basis is niet anders dan die bij Shell: het draait om maximale winst en/of aandeelhouderswaarde. Oud denken dus …
  • Winst maken waar het kan.
  • Zolang het niet verboden is mag het.
  • Als het hier niet kan, dan doen we het elders (we zijn niet afhankelijk van Nederland).
  • We kunnen doen wat we willen, ze maken ons niks. Als het fout gaat dan worden we gered. Als het goed gaat dan hangen we onszelf vol met bonussen.
  • Onze gesprekspartners snappen het toch niet, we kunnen ze van alles wijs maken. We kunnen ze nog een keer uitleggen wat goed is (lobby).
  • We zijn internationale spelers, daar gaat het om. We kijken naar buiten, naar de grote wereld, daar zitten onze voorbeelden. Hier wordt vooral kleingeestig gezeurd over details.

De dynamiek van de post-crisis wordt niet alleen door de banken bepaald maar ook door de wisselwerking met de politiek en met de burgers/consumenten. Dus wat is het wereldmodel van de politiek in deze situatie? Wederom speculatief:

  • We snappen het niet helemaal. Maar dat de belastingbetaler voor de kosten opdraait, dat is niet uit te leggen.
  • Best handig als de banken ons helpen bij het voorbereiden van de stukken (lobby).
  • Het mag niet ten koste gaan van de economie, dan worden de stemmers boos.
  • Ik zit hier maar 4 jaar, daarna heb ik ook nog een carrière.

En tenslotte zijn er nog de stemmers, de pensioengerechtigden, de burgers, de consumenten, kortom wij allemaal. Die zouden kunnen denken:

  • Ik krijg mijn geld toch terug als het fout gaat?
  • Allemaal mooi en aardig, maar ik wil wel een leuk huis kunnen kopen. En heb dus ruim krediet nodig.
  • Als de huizenprijzen stijgen: mooi, dan heb ik overwaarde, dan kan ik ook nog eens iets leuks kopen.
  • Rente-aftrek is belangrijk, hoe moet ik anders een eigen huis kunnen betalen?

De dynamieken

Ik geef het eerlijk toe: het valt nog niet mee als die onderlinge afhankelijkheden in een grafisch overzicht te krijgen. Ongetwijfeld kan dat veel beter dan ik hier laat zien.

De banken willen zoals gezegd (ook) hun aandeelhouders plezieren en hebben daar zelf voordeel van in de vorm van salarissen en bonussen. De unieke positie op de markt stelt hen in staat bovengemiddelde rendementen te behalen. Regelgeving vanuit de overheid is een ongewenste indringing op die vrijheid die zoveel mogelijk moet worden tegen gewerkt. Dat gaat in de vorm van lobby en met dreiging van vertrek naar het buitenland. Uiteindelijk is die druk effectief zo groot dat de voorgenomen regels worden verzwakt en omgebogen in het voordeel van banken.

ScreenShot087

De ongeremde maximalisering van die aandeelhouderswaarde leidt er toe dat de banken ’too big to fail’ worden, extra risico’s gaan nemen. Waardoor uiteindelijk een onhoudbare situatie ontstaat en de crisis ontstaat. Omdat we niet zonder de banken kunnen volgt een redding die door de belastingbetaler wordt gedragen. De burger annex belastingbetaler wordt boos en de maatschappelijk onvrede neemt toe.

ScreenShot088

Nu komt de politiek in het spel. Politici willen herkozen worden en ontevreden burgers betekent verlies aan stemmen. De onvrede vertaalt zich uiteindelijk in meer regels voor banken. Omdat dit mogelijk leidt tot minder kredietverlening aan consumenten en bedrijven leidt dit ook tot bekrachtiging of uitbreiding van bankgaranties en tot toezeggingen dat de hypotheekrente-aftrek zoveel mogelijk behouden blijft. Dat leidt vervolgens tot (hernieuwde) opbouw van schulden. Dat is op zich weer een nieuwe impuls voor een volgende bubble en crisis.

 

ScreenShot092

 

De extra regels en verhevigd toezicht zorgen voor nog meer dynamiek. Zoals betoogd in de Radar-uitzending wordt het voor nieuwe banken lastiger om toe te treden. Dat betekent minder concurrentie (dan gewenst) op de bankenmarkt en bestendigt zo het gedrag van de bestaande banken. Maar ook leidt meer regelgeving tot een nog complexer speelveld en tot nog minder inzicht in de situatie en hoe het verder moet. Dat betekent uitstel van maatregelen die wél effectief tot verandering kunnen leiden.

ScreenShot091

 

Ik laat het hier even bij want het wordt me al ingewikkelder dan mij lief is.

Inzicht van de dynamiek

Wat de dynamiek voor mij duidelijk maakt is:

  • Regels staan in het midden. Dat zou kunnen betekenen dat de discussie vooral draait om (extra) regels en toezicht. De (vermeende) oplossing komt centraal te staan en leidt af van inzicht in de écht benodigde aanpassingen.
  • Twee partijen, banken en politiek, houden elkaar gevangen in de bestaande situatie. Ieder blijft (om begrijpelijke redenen) hangen in het ‘oude denken’.

Rudy van Stratum

Op naar de volgende financiële crisis (Radar Extra) (MMM08)

Alweer bijna twee weken geleden (28 december 2015) was er een uitzending van Radar Extra te zien die een aardig beeld gaf van waar we nu staan na de financiële crisis van 2008. Dus 8 jaar later: welke lessen hebben we geleerd? Ik vond de uitzending de moeite waard om een poging te doen de kern van de boodschap samen te vatten in een mindmap. Wat u hieronder leest is dus grotendeels letterlijk in de betreffende uitzending terug te luisteren/zien. Ik vermeld hier de link naar de uitzending zelf maar de praktijk leert dat zo’n link na enkele weken niet meer werkt.

Ik heb de inhoud van de uitzending opgeknipt in vier ‘hoofdstukken’:

  • Het probleem in 2008
  • De situatie 8 jaar later (2016)
  • Is er een oplossing?
  • Waarom lukt het niet?

Onderaan treft u de samenvattende mindmap aan met deze vier hoofdstukken als ‘armen’ in de map.

Probleem 2008

Wat was eigenlijk het probleem in 2008? Dat we te maken hebben met een fragiel en kwetsbaar financieel-economisch bouwwerk. Economisch deden we het goed in de jaren vóór 2008 maar blijkbaar zat er iets in het systeem waardoor het zomaar uit kon zijn met de pret. Die fragiliteit zit met name in de financiële sector. Of nog simpeler gezegd: het probleem zit met name bij de banken. De banken zijn in relatie tot de nationale economie (te) groot. In de uitzending is de uitspraak te horen: het is niet een land met een bank maar een bank met een land. Omdat de banken zo groot zijn is de hele economie in sterke mate afhankelijk van het presteren van die banken. Als een grote bank omvalt dan hebben we kortom allemaal een probleem. En hoe zit het dan met een wat kleinere bank? Eigenlijk is ook dat een probleem. Door de toenemende onderlinge vervlechting van banken (en de reële economie) kan het omvallen van een kleinere bank een domino-effect op gang brengen waardoor er alsnog sprake is van een ‘meltdown’.

Kortom: de situatie is niet veilig.

Maar het gaat nog een spade dieper. Je zou kunnen zeggen: jammer dat het dan een keertje wat minder gaat, dat is de prijs die je moet betalen. Het is een correctie die erbij hoort en die wel weer wegebt. Nee, er is meer aan de hand. Banken hebben (ook) een nutsfunctie. Banken zijn verantwoordelijk voor de goede werking van het betalingsverkeer. Hoe je je salaris ontvangt, hoe je winkelt, hoe je je belasting betaalt: alles gaat via overboekingen via banken. Als die kleine of grote banken omvallen dan valt de hele economie stil, dan kunnen we nagenoeg niets meer doen. We kunnen het ons niet permitteren dat die banken uitvallen. Omdat ze verantwoordelijk zijn voor onze financiële infrastructuur. In de uitzending wordt de vergelijking gemaakt met ons wegennet. Als een grote transportondernemer failliet gaat dan kunnen we nog steeds gebruik blijven maken van de wegen. Maar als een bank failliet gaat dan kunnen we ook niet meer betalen. Velen constateerden na 2008 dat het betalingsverkeer een publieke functie is en dat het vreemd is dat een commerciële onderneming die failliet kan gaan daar verantwoordelijk voor is.

Maar nog zijn we er niet. Die bancaire onderneming kán helemaal niet failliet gaan! Want precies omdat die publieke functie in haar pakket zit, kunnen we ons dat niet veroorloven. En daarom moet de overheid (de belastingbetaler) de bank redden mocht het fout gaan. En daarom ook liggen de economische prikkels op de verkeerde plek. Het systeem lokt als het ware een meltdown uit. Bankiers worden beloond voor succes en niet gestraft voor mislukking. Ook consumenten/spaarders doen in dit spel mee doordat de overheid bankgaranties tot € 100.000 biedt: normaal zou een bank die meer rente biedt op je spaargeld meer kans hebben om failliet te gaan, maar dat is door de overheids-bank-garantie geen beletsel om toch over te stappen naar die meer risicovolle bank. We willen juist banken die wél failliet kunnen gaan. Maar dan zonder schade toe te brengen aan de maatschappij.

Kortom: we willen niet dat dit nog een keer gebeurt en gaan maatregelen nemen. Dat is de situatie in 2008.

Situatie 8 jaar later (2016)

Dus wat hebben we bereikt in 2016, 8 jaar na de crisis?

Je kunt zeggen dat er veel is veranderd. Er is met name sprake van extra regelgeving en verscherpt toezicht op de financiële sector. Het eigen vermogen van banken (de reserves, waarmee schokken kunnen worden opgevangen) zijn of worden in kleine stapjes verhoogd. Toch, zo is de strekking van de uitzending en alle deskundigen die daar aan het woord komen, fundamenteel is er niets veranderd. Het systeem is nog steeds niet veilig. De volgende crisis zit er gewoon aan te komen. Over een jaartje of 8 kunnen we hem volgens een van de sprekers verwachten.

Laat ik de argumenten voor de beweringen ‘het is nog steeds niet veilig’ en ‘de volgende crisis zit er aan te komen’ eens op een rijtje zetten (zoals in de uitzending te horen/zien):

  • Banken zijn (nog) groter geworden in relatie tot de totale economie.
  • Slechts enkele banken (ING, ABN Amro, Rabo en SNS) maken 90% van de Nederlandse bankenmarkt uit.
  • Banken zijn nog meer onderling vervlochten geraakt: het netwerkeffect is vergroot.
  • Er is sprake van extra regelgeving maar het effect is vooral dat de toetreding van nieuwe spelers lastiger is geworden.
  • Het risico van de gevolgen van omvallen ligt nog steeds bij de belastingbetaler.
  • Het eigen vermogen van banken ligt niet fundamenteel hoger dan in 2008. We hebben het nu over 4-5% buffers waar volgens deskundigen 25-30% nodig is om de belastingbetaler buiten schot te houden. De discussies over zelfs die kleine verhoging van 2% naar 4% verloopt uiterst moeizaam. Banken stellen aan hun eigen klanten overigens wél de eis van 30% eigen vermogen.
  • Er is nog geen zicht op een scheiding van het betalingsverkeer van de overige bancaire activiteiten.

Is er een oplossing?

Een oplossing is nog niet zo makkelijk te bedenken. Want als ‘wij’ (in Nederland) de eisen te zwaar maken dan vertrekken de banken gewoon naar het buitenland. Zoals gezegd: de bank kiest het land en niet andersom. Als we taken gaan opknippen dan worden de meest renderende activiteiten door nog grotere buitenlandse spelers opgekocht. Per saldo zijn we dan werkgelegenheid en winst kwijt zonder dat het probleem is opgelost. Bij elke financiële aanpak hoort internationale afstemming en we weten hoe lastig dat is te realiseren.

Met deze enorme showstopper heeft het eigenlijk niet meer zoveel zin de ingrediënten van een oplossing op te dissen. Maar toch: ze worden in de uitzending wel genoemd, dus hier weer een rijtje.

  • Al gezegd: het eigen vermogen van banken moet fors omhoog en vergelijkbaar zijn met elke andere willekeurige onderneming: 25-30%.
  • Al gezegd: de infrastructuur moet apart worden geborgd. Dat kan op vele manieren. In de uitzending wordt de optie besproken van een staatsbank waar je kunt betalen (tegen kostprijs) en sparen (zonder rente) maar waar een garantie geldt.
  • Commerciële banken kunnen dan tegen elkaar opbieden met hogere spaarrentes maar met het risico van faillissement. De echte core van banken wordt dan het verstrekken van kredieten en leningen.
  • Er moet meer keuze komen om een betere marktwerking te garanderen. Toetreding moet makkelijker worden. Zolang banken niet te groot worden en failliet kunnen gaan (en dit ook bekend is bij de consument) is er weinig aan de hand. Meer keuze kan ook komen van initiatieven van onderop, bijvoorbeeld de in de uitzending besproken kredietunies. In een kredietunie kan de ene ondernemer met een overschot lenen aan een andere ondernemer met een tekort (waarbij de kleine kring zorgt voor financiële betrouwbaarheid).

Waarom lukt het niet?

Waar de uitzending van Radar het meest spaarzaam is in haar informatie is bij de verklaring van waarom we nog niet zoveel zijn opgeschoten. En dat is toch de kern van de zaak: blijkbaar zijn er oplossingen voor het probleem te bedenken en toch komt het niet echt van de grond. Dan moet je toch op zoek naar de hindernissen? En die oplossingen: zo geniaal zijn ze niet. We mogen gevoeglijk aannemen dat bankiers, deskundigen, politici, beleidsmakers en zo verder ook grosso modo op de hoogte zijn van wat er nodig is?

Kortom: wat is er hier aan de hand?

In de uitzending worden twee (belangrijke) verklaringen gegeven:

  • Een gebrek aan internationale afstemming. Of omgekeerd: de angst om bij eenzijdige aanpassingen de economische boot te missen. Zie hierboven.
  • Weerstand bij de bankiers. Het is een no-brainer dat alle genoemde maatregelen het feestje van bankiers bederven. Daar gaan de winsten en de bonussen. Er is daarom sprake van een enorme lobby om al te rigoureuze veranderingen tegen te houden of af te zwakken. Daarom kiezen ze voor het afleggen van een bankierseed (afleidingsmanoeuvre, kost niks) en wordt er voortdurend gechanteerd (verlies aan werkgelegenheid, vertrek naar het buitenland, kredietverlening die opdroogt etc).

Het eerste punt is zoals gezegd heftig. Maar het lijkt me een deel van de maatregelen minder gevoelig is voor internationale afstemming. Dus waarom zijn daar niet meer stappen gezet? Er hangt nogal wat van af zou ik zeggen. Dat de bankensector de (tegen-) druk opvoert lijkt me niet meer dan logisch. Ze hebben het geweldig voor elkaar dus dat voordeel gaan ze niet zomaar weggeven. Met andere woorden: die weerstand is te verwachten en daar had je dus rekening mee kunnen en moeten houden.

Wat zou er nog meer kunnen spelen? Ik weet het antwoord ook niet, maar kan wel wat hypotheses bedenken.

  • Het is een zeer complex vraagstuk. Zou het zo kunnen zijn dat veel van onze beleidsmakers en politieke beslissers en toezichthouders onvoldoende helder hebben wat er aan de hand is en de mogelijkheden (en hoe die te implementeren) niet goed op een rijtje hebben? In een complex en onoverzichtelijk veld is het makkelijk om verwarring te zaaien. Ik denk dat de toneelspelen over banken en de crisis (zie de uitzending van Radar) de gemiddelde Nederlander meer inzicht geven dan alle kamerdebatten van de laatste 10 jaar bij elkaar.
  • Er is (blijkbaar) sprake van (te) weinig politieke druk naar banken. Heeft dat weer te maken met de complexiteit van de zaak? Hebben kamerleden te weinig tijd en kennis om zaken voor te bereiden? Zijn ze (op inhoud) te afhankelijk van de bancaire lobby? Zijn ze qua netwerken en belangen te veel vervlochten met de bancaire wereld?
  • De consument heeft in deze discussie relatief weinig keus. Voor welke bank je kiest maakt in dit opzicht nauwelijks iets uit. Blijkbaar ligt de gemiddelde burger of consument er ook niet wakker van (prikkels en bankgarantie, zie hiervoor). En misschien is het ook dubbel: banken die veel verdienen staat gelijk aan ruime kredieten en hogere huizenprijzen met veel schulden. Dat is blijkbaar ook wat we willen (kijk naar de gevoelige sfeer rondom de hypotheekrente-aftrek). Maar banken hebben een uniek verdienmodel waar zeker meer ondernemers in geïnteresseerd zouden zijn. Consumenten zouden baat hebben bij meer keus en meer concurrentie. Waarom is er niet meer druk vanuit die kant? Waarom wordt deze markt niet open gebroken net zoals eerder bij energie, mobiele telefoon en vliegmaatschappijen?

Eindoverweging: wat lukt de banken wel en Shell niet?

Guus Hustinx schreef hier nog maar kort geleden over Shell. Bij Shell is volgens hem wat aan de hand. Shell moet (in mijn woorden) op de knieën en kan niet meer ongehinderd de oude olievoorraad winstgevend verkopen. Shell, zo zou je kunnen zeggen, heeft het spel niet slim gespeeld, heeft dit onvoldoende zien aankomen, heeft te laat haar strategie of koers gewijzigd.

Laten we eens aannemen dat de analyse van Guus klopt. En dat de analyse van Radar over de banken ook correct is. Dan denk ik: die banken krijgen iets voor elkaar waar Shell niet of onvoldoende in is geslaagd. Wat kunnen de banken wat Shell niet kan? Wat kan de ene leren van de ander? Als ‘iets’ ervoor gezorgd heeft dat we minder liefde hebben voor fossiele grondstoffen en nu versneld overgaan op groene energie, kan dan ‘iets anders’ er ook niet voor zorgen dat we overgaan van een oude financiële industrie naar een meer duurzame financiële sector? Daar ga ik de komende weken eens over nadenken.

Rudy van Stratum

 

ScreenShot061

Wat is er toch met Shell gebeurd? (MMM07)

Dit artikel is een gastbijdrage van Guus Hustinx. Voor een motivatie van ‘MMM’ in de titel zie deze eerdere blog.

Voor het eerst in de geschiedenis van Shell dalen de aandelen. Grote institutionele beleggers trekken hun handen van Shell af. Shell heeft zich recent in hoog tempo teruggetrokken uit onder meer Alaska en de teerzanden in Canada, met desinvesteringen van vele miljarden tot gevolg. Hoe kan het dat Shell in een vrije val dreigt te raken en totaal verrast lijkt te zijn door de ontwikkelingen? Een poging tot een systemische analyse van een complexe werkelijkheid.

Het grotere plaatje

In twee jaar tijd is de olieprijs met 65% gedaald. De OPEC landen hebben onlangs besloten om de olieproductie onverminderd hoog te houden. Ook de VS gaan onverminderd door met het produceren van schalieolie. Volgens Rens van Tilburg, econoom, heeft zich de afgelopen jaren een stille revolutie voltrokken die uitgemond is in het klimaatakkoord van december 2015. Daarin is de doelstelling vastgelegd van een maximale temperatuurstijging van 1,5° C. Dat stelt grenzen aan de hoeveelheid broeikasgassen die we in de nabije toekomst nog kunnen uitstoten. De consequentie daarvan is dat 60 tot 80% van de voorraden olie, kolen en gas in de grond moet blijven zitten en dus feitelijk waardeloos zijn geworden. Van Tilburg concludeert dat olie in de opheffingsuitverkoop is gegaan. Beter olie nu voor een lage prijs verkopen dan straks waardeloos in de grond . Deze stille revolutie heeft ook andere gevolgen gehad. Klanten van institutionele beleggers en milieuorganisaties hebben de laatste jaren, met succes, druk uitgeoefend op die beleggers om zich terug te trekken uit de fossiele energie.

De toestand bij Shell

Dit alles heeft grote gevolgen voor Shell. De sterke prijsdaling van olie heeft de winst van Shell zwaar onder druk gezet. Als gevolg daarvan heeft Shell zich teruggetrokken uit de teerzandolie in Canada en uit Alaska met een desinvestering van vele miljarden tot gevolg. Daarnaast snijdt het sterk in de kosten, vele duizenden banen gaan verloren. Voor het eerst in haar geschiedenis is de koers van het aandeel flink gedaald, nog versterkt door de institutionele beleggers die onder druk van klanten en milieuorganisaties hun handen van Shell aftrekken. Volgens Hans de Geus, beurscommentator RTLZ, wordt het aandeel Shell op dit moment op de beurs gewaardeerd als een rommelobligatie van een bedrijf dat zo in de schulden zit dat zonder herfinanciering een bankroet onontkoombaar is. En dit nog voordat Shell haar waardeloos geworden voorraden heeft moeten afwaarderen. Shell heeft besloten het Britse LNG bedrijf ‘BG Group’ (vloeibaar gas) over te nemen voor het enorme bedrag van 64 miljard euro. Volgens de topman Ben van Beurden een noodzakelijk stap om in de nabije toekomst de winstgevendheid te garanderen. Volgens van Beurden is Shell een degradatiekandidaat zonder de BG Group. Peter de Waard constateert in de Volkskrant dat een coach die dat zegt niet kan blijven zitten als de overname door de aandeelhouders geblokkeerd wordt en die kans bestaat.

Groene en ethische imago van Shell

Nog maar een jaar of tien, vijftien geleden was Shell een vooruitstrevend en innovatief bedrijf. Het investeerde in wind- en zonne-energie, plantte en beheerde bossen in Canada, investeerde in de ontwikkeling van biobrandstoffen. Het progressieve Shell bezat een stafafdeling scenarioplanning waar onafhankelijke, creatieve geesten diverse scenario’s voor de toekomst bekeken, doorrekenden en consequenties voor de strategie bepaalden. Zo onderzochten zij welke vooronderstellingen aan diverse scenario’s ten grondslag lagen en wat de consequenties zouden zijn als die vooronderstellingen niet zouden kloppen. Zoals bijvoorbeeld de aanname dat de olieprijs altijd zal stijgen. Wat gebeurt er als dat niet waar blijkt en de olieprijs juist gaat dalen? Wat betekent dat voor de strategie van Shell? Kortom, het bedrijf had een forse portie gezond tegendenken geïnstalleerd. Mede op basis van deze scenario’s heeft Shell destijds juist in groene energie geïnvesteerd. Aan dat alles kwam een eind met de intrede van het Angelsaksische model: primaire focus op het creëren van maximale aandeelhouderswaarde. Een omslag die in de jaren ‘90 tot 2000 plaatsvond en die met ingrijpende reorganisaties gepaard ging. Bonussen van de top werden gekoppeld aan de prestaties van de top 6 van de best presterende (lees: hoogst gerealiseerde aandeelhouderswaarde) oliebedrijven wereldwijd.

De afdeling scenarioplanning werd ontmanteld, stap voor stap bouwde Shell haar groene energiepoot af en ging zich volledig focussen op olie en gas, productie en distributie. Toen de toenmalig CFO daar op aangesproken werd door de pers antwoordde hij dat ‘groene energie leed aan haar gebrekkige winstgevendheid en dat Shell het (groene) imagoverlies voor lief zou nemen’. Er speelden al eerder de schandalen rond massale olieverontreiniging in de Nigerdelta en steun aan het corrupte en dictatoriale regimevan Nigeria (tot op de dag van vandaag spelen er rechtszaken rond deze kwestie) en het willen afzinken van de Brent Spar, dat Shell op een consumentenboycot kwam te staan. Later bleken de oliereserves in de boeken sterk overdreven. Het leidde tot boze aandeelhouders, dalende koersen en forse schadevergoedingen die betaald werden.

Het zou nog erger worden. In september 2015 werd bekend dat Shell, een van de medeoprichters, niet langer deel uitmaakt van ‘The Prince of Wales’s Corporate Leaders Group’ (CLG), een invloedrijke lobbyclub van leiders van toonaangevende multinationals tegen klimaatverandering, met prins Charles als beschermheer. Naar verluid als gevolg van groeiende spanning over Shell’s houding in milieuzaken, zoals het boren in de kwetsbare natuur van Antarctica. In diezelfde tijd stapt Shell, ondanks de Europese boycot van Rusland (i.v.m de oorlog in Oekraïne, de annexatie van de Krim, en het neerhalen van de MH17), in op de deal met Gazprom rond de Nord Stream 2 pijplijn. De publicist Rogier Ormeling constateert in de Volkskrant dat Shell opnieuw buigt voor Poetin en zich in ethisch opzicht een ‘empty shell’ betoont, waarin Poetin graag plaatsneemt.

Verwondering

Wat ik mij afvraag is hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren? Hoe kan het dat de top dit niet heeft zien aankomen? Dat ze achter de feiten aanlopen en zo het voortbestaan van Shell regelrecht in gevaar brengen? Dat ze keuzes maken die als immoreel of minstens onethisch bestempeld kunnen worden? Dat ze categorisch alle maatschappelijke verantwoordelijkheid afwijzen en alleen en uitsluitend aandeelhouderswaarde als leidend principe hanteren? Wat zijn de dieperliggende waarden en opvattingen van deze mensen aan de top? Wat is hun wereldmodel? Welke dynamiek speelt er intern, want daarin moeten we de verklaring zoeken voor de teloorgang, ethisch en economisch, zoals die zich nu lijkt af te tekenen.

Dynamiek

Wat de dieper liggende waarden zijn van de top dat weten we niet, daarvoor zouden we ze moeten interviewen (lijkt me overigens uitermate interessant om te doen op de NLP manier door ze te modelleren). We kunnen wel uit wat er gepubliceerd is over Shell een aantal van hun vooronderstellingen afleiden. Zo kan hun wereldmodel enigszins in kaart gebracht worden.

Een paar vooronderstellingen:

  • De olie- en gasprijzen zullen altijd blijven stijgen. (daar zit een hele gedachtegang achter over toenemende wereldvraag en schaarser wordende bronnen)
  • We hebben de beschikking over een onbeperkte hoeveelheid kapitaal. Dat betekent dat we altijd weer in kunnen stappen in groene energie op het moment dat we dat willen, dan kopen we gewoon de bedrijven op die we willen hebben
  • De aandeelhouders, de financiële markten, bevestigen ons gelijk, zie de alsmaar stijgende prijs van de aandelen
  • Wij zijn er alleen om voor de aandeelhouders zoveel mogelijk geld te verdienen
  • Wij doen niet aan politiek, dat is aan de politici
  • Wat (binnen de wet) kan mag en wat mag kan, mits voldoende winstgevend
  • Als wij het niet doen dan doet de concurrent het wel
  • Wij zijn goed in lokaliseren, boren, verwerken en distribueren, dat moeten we vooral blijven doen
  • Wij horen bij de top 6, daar willen we dan ook naar beloond worden
  • Onze bonuscultuur geeft prima onze ondernemingszin weer

Vanuit dit wereldmodel ontstond jarenlang een dynamiek waarin de top steeds bevestigd werd in haar model van de wereld. Handelend vanuit het creëren van maximale aandeelhouderswaarde bleven de winsten stijgen, nam de waarde van de aandelen Shell alsmaar toe, werden de bonussen uitgekeerd en zo werd het eigen gelijk steeds bevestigd. En zeg nu zelf, het hele economische klimaat met het neoliberale denken als motor, functioneerde al die tijd bijna als een applausmachine. Het creatieve tegendenken was afgeschaft, er ontstond een ja-knik cultuur en iedereen pikte zijn graantje mee. De ‘sky was de limit’, niemand die bedacht dat het ooit eindig zou zijn. Ja, als olie en gas op zouden raken, maar dat lag nog in een verre toekomst verscholen. Vooralsnog rees de prijs de pan uit en dat rechtvaardigde de investeringen in teerzanden, schaliegas en -olie en boren in Alaska.

guus01
Totdat het ondenkbare gebeurde. Er ontstond een nieuwe realiteit. Een paar belangrijke aannames uit het oude wereldmodel bleken ineens niet meer te kloppen. Dat lijkt niet door te dringen tot Shell, die gewoon conform hun oude wereldmodel bleven opereren, zelfs tot op de dag van vandaag, getuige de overnameplannen van de BG Group. Volgens het FD is de schatting van de overnamewaarde van BG op een reeks langetermijnaannames gebaseerd voor de olieprijs van $70 tot $110 per vat. Een vat Brent-olie kost nu $36. Op 27 januari a.s. stemmen de aandeelhouders over de overname.

De nieuwe dynamiek waar Shell in terecht is gekomen laat zien hoe het oude denken niet in staat is om te reageren, laat staan te anticiperen op de nieuwe werkelijkheid. Die laat zich samenvatten in drie bewegingen: het klimaatakkoord, de uitverkoop van fossiele brandstoffen, de druk op institutionele beleggers om duurzaam te beleggen. Dat leidt tot een scherpe daling van de winst van Shell en beleggers die het geloof in de onderneming verliezen.

guus02De maatregelen die de top treft werken, zeker op de langere termijn, eerder averechts (in de systeemtheorie heet dat het lapmiddelen patroon). En zo is een negatieve spiraal ontstaan, een zichzelf versterkende loop die tot escalatie van het systeem kan leiden. Kan, want het is natuurlijk niet zeker dat het systeem ook daadwerkelijk gaat escaleren. Het risico is reëel en wordt door diverse analisten en economen onderkend.

Fragiel systeem

Ik vind het choquerend om te zien hoe fragiel een organisatie als Shell dus blijkt te zijn. Shell heeft altijd te boek gestaan als een robuust systeem, zelfs in de recente crisistijd bleef ze een baken van zekerheid en soliditeit. Om dit te kunnen begrijpen is het interessant om de ideeën van Taleb (Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wanorde, 2013) nog een keer van stal te halen. Taleb hanteert het begrip antifragiel als tegenovergestelde van fragiel. Hij betoogt dat het fragiele kwetsbaar is voor toevallige gebeurtenissen en stressfactoren. Daartegenover staat het antifragiele dat juist baat heeft bij toevallige gebeurtenissen en stressoren doordat het daar juist sterker en creatiever van wordt en groeit. Complexe systemen -zoals organisaties- hebben juist baat bij antifragiliteit.

Tegelijkertijd ziet hij dat juist alle variatie en volatiliteit (beweeglijkheid) uit huidige organisaties wordt weggehaald en dat maakt ze juist meer fragiel en dus kwetsbaar in een veranderende wereld. Dat beschrijft aardig wat er bij Shell is gebeurd. Met de omslag naar de focus op aandeelhouderswaarde werd veel creativiteit en diversiteit uit de organisatie weggesneden, de organisatie werd daardoor meer fragiel. Controle mechanismes werden aangescherpt, schaalvergroting vergrootte de complexiteit en ‘en passant’ verdween flexibiliteit en het denken in meerdere scenario’s –meerdere mogelijke modellen van de werkelijkheid- uit de organisatie: gevolg nog meer fragiliteit. En dan plots een onverwachte(?) gebeurtenis, een zwarte zwaan, zoals Taleb ze noemt en dan blijkt de fragiel geworden organisatie daar niet tegen bestand. Was deze ontwikkeling echt niet te voorzien geweest? Ik denk het wel, maar kennelijk niet voor de mensen die zo vast zitten in het oude denken.

Hoe verder?

Hoe moet het nu verder met Shell? Een grote vraag, want ik vraag me af of er in deze complexe situatie iemand is die daar het ultieme antwoord op heeft? Maar laten we er bij wijze van experiment de ideeën van Taleb eens op los laten. Shell ombouwen tot een antifragiele organisatie: opsplitsen in kleine eenheden die flexibel in kunnen spelen op snel veranderende omstandigheden. Focus op alle stakeholders, een gezamenlijke belangenafweging, oftewel de slag maken naar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Vooral verbindingen aangaan met allerlei huidige start-ups, met lokale energiecollectieven, hoe elkaar te versterken? Van geopolitieke macht naar lokale samenwerking. Ophouden te denken in termen van olie en gas, maar denken in termen van energie en duurzaamheid, hoe duurzaamheid ook economisch rendabel kan zijn. Hoe olie en gas voorlopig nog een noodzakelijke aanvulling zullen en kunnen zijn in de energievoorziening, en hoe dat op een duurzame wijze, in lijn met het klimaatakkoord, gerealiseerd kan worden. De ruim aanwezige kennis en expertise inzetten op het ontwikkelen van nieuwe revolutionaire technieken, bijvoorbeeld rond CO2 afvang en opslag. Inzetten op de transitie die gaande is, daar voorloper in worden. Ik weet, ik ben een idealist, maar ik word enthousiast bij de gedachte dat dit zomaar zo zou kunnen werken.

Reageren: guus@intens.com